Geen botanicus krijgt de naam fluitenkruid over zijn lippen; Niemand wil meer terug naar menschen en visschen; Keuzevrijheid in vorm van voorkeurspelling moet verdwijnen

Met veranderingen in de spelling is nooit iedereen tevreden. Toen Siegenbeek in 1804 in opdracht van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek een officiële spelling had gedestilleerd uit een veelheid van dialecten en schrijfwijzen, kwamen er al spoedig nieuwe spellingsvoorstellen, zoals die van Bilderdijk. Vlaanderen had een eigen spelling. De Vries en Te Winkel (1863) schiepen eenheid toen zij een spelling ontwierpen die moest dienen als basis voor het Woordenboek der Nederlandse Taal.

De Vries en Te Winkel stelden dat de spelling moest aansluiten bij de beschaafde uitspraak, maar in de praktijk heeft die aansluiting haar grenzen. Er bleef - en er is nog steeds - een groot verschil tussen uitspraak en schrijfwijze. Kollewijn ontwierp honderd jaar geleden een spelling die beter aansloot bij de uitspraak; hij ging nogal ver in de richting van een fonetische spelling en zijn aanhangers kregen dan ook slechts ten dele hun zin toen in 1934 de spelling-Marchant werd ingevoerd. Er was even beroering, maar niemand wil meer terug naar heeten naast lezen of naar menschen en visschen.

Toen de spelling uit het "groene boekje' van 1954 officieel werd, stribbelde zelfs de Van Dale tegen. In de achtste druk staat onder spelling(s)beeld dat de Woordenlijst een spelling zonder s voorschrijft, maar dat de vorm met een s gangbaar is. Veel veranderingen van toen zijn nog steeds niet ingeburgerd, mensen die taalspelletjes bedenken, maken daar dankbaar gebruik van.

G.C. Molewijk geeft in zijn boek Spellingverandering van zin naar onzin (1200 heden) omvangrijk historisch materiaal, gekruid met uitstapjes naar onze vroegere koloniën en Zuid-Afrika. Hij veegt veel misverstanden van tafel. Vernederlandsing door het schrappen van letters als c, q, x en y bijvoorbeeld is onzin, want deze letters komen al eeuwen in onze taal voor. Vereenvoudiging is vaak erger dan de kwaal: de taalregelaar schept door de verstoring van het gevestigde woordbeeld vaak meer problemen dan hij oplost. Gelijkschakeling van woordparen als logies en logisch of feil en vijl maakt het lezen alleen maar moeilijker.

Nu kan men Kollewijn, met enig begrip voor zijn streven, verwijten dat hij te vèrgaande vereenvoudigingen wilde invoeren; de keus die in 1934 werd gemaakt is dan zo gek nog niet. In Spellingverandering ligt het allemaal wat simpeler. Volgens de schrijver is er sinds het midden van de vorige eeuw geen enkele aanleiding geweest de spelling te veranderen. De Vries en Te Winkel schiepen orde en alles wat zij deden was prachtig. Als hun werk wordt besproken, klinkt er zachte vioolmuziek tussen de regels door. Deze moet de kritiek overstemmen die bij de lezer zou kunnen opkomen als hij leest dat zij zich voor het vaststellen van de spelling van heeten naast lezen baseren op het oud-germaans.

Vanaf het ogenblik waarop allerlei onverlaten De Vries en Te Winkel kritiseren, krijgt iedereen er van langs. De "taalveranderaars' vormen een "curieuze randgroep in onze samenleving' die de stabiele taal instabiel willen maken. Hun drijfveer is dwarsliggerij; sommigen handelden uit frustraties, J. van Vloten bijvoorbeeld omdat hij geen hoogleraar was geworden. K. Heeroma was op gammele gronden bij de Kollewijners terechtgekomen, namelijk omdat hij een afkeer had van zijn scheikundeleraar die tegen Kollewijn was.

Het hakken met de botte bijl werpt een forse schaduw op dit boek. Je ziet door de haksplinters de bomen niet meer, laat staan het bos. Molewijk vermeldt dat er bij de voorbereiding van het groene boekje over alle woorden is gestemd en dat die stemming volgens "hardnekkige geruchten' sterk beïnvloed werd door het frequente zware tafelen van de heren. Honderden woorden worden besteed aan futiliteiten, zoals de domheid van Marchant die niet begreep dat je vlekken zou krijgen als je de leerlingen zelf de schoolboeken zou laten corrigeren met een kroontjespen. Door dit "gewoon wat letters doorkrassen' zou het woordbeeld worden verstoord. Ik zou hier nog belangrijke informatie aan kunnen toevoegen. Onze juf kwam op het idee ons voor het doorstrepen van de tweede o in zoo geen kroontjespen maar een rood potlood te geven!

Ik denk dat we genuanceerder te werk moeten gaan. We moeten aan de vraag wat er aan de spelling moet worden veranderd, steeds de vraag vooraf laten gaan of veranderingen nodig zijn; dat die vraag per definitie met neen moet worden beantwoord is onzin. Men kan criteria opstellen voor een verandering; de vraag is niet of er op korte termijn wat golven ontstaan als een gevestigd woordbeeld verstoord wordt, maar of de zee er op langere termijn rustiger op wordt. Achteraf blijkt het verdwijnen van de ch in woorden als visch en de vereenvoudiging van de regels over de enkele en dubbele klinkers een verbetering. Daarentegen blijkt uit het overvloedige materiaal van Molewijk dat veel van de wijzigingen uit 1954 het niet hebben gehaald.

Molewijk wil nog één keer een wijziging. Die moet dienen om de ergste fouten uit 1954 te herstellen. De keuzevrijheid in de vorm van een voorkeurspelling moet geheel verdwijnen en in de toekomst zouden we ons moeten beperken tot het opnemen van nieuwe woorden, zoals we nu fax en computer opnemen.

Ik ben gesterkt in mijn mening dat bepaalde correcties op de besluiten van 1954 hoogst zinnig zijn. Daarbij zouden wij misschien ook enige aandacht kunnen besteden aan een misdeelde groep woorden, de half-eigennamen. Een voorbeeld is de munt die al eeuwen lang leeuwendaalder met een n heet en sinds 1954 die n moet missen, en het fluitekruid dat sindsdien fluitenkruid heet - een naam die geen enkele botanicus over zijn lippen krijgt.

Ten slotte: dat we ons in de toekomst zouden moeten beperken tot het opnemen van nieuwe woorden is onrealistisch. De taal blijft leven en aanpassing blijft altijd nodig. We aanvaarden dat bielzen het meervoud van biels is geworden, ook al hebben de zeven Nederlanders die nog biel zeggen het volgens Van Dale nog steeds bij het rechte eind. Misschien zal de taalgebruiker in de toekomst kiezen tussen litterair en literair, tussen destilleren en distilleren. Daarom ook is het onjuist om de vrijheid van keuze tussen een voorkeurspelling en een alternatief geheel uit te bannen. Juist die vrijheid biedt de mogelijkheid om de taalgebruiker zelf te laten kiezen. Wie weet wordt in een verre toekomst de schrijfwijze van verrukkelijk luchtig en pijnlijk nog eens aan de uitspraak aangepast en misschien wordt onmiddellijk zelfs nog eens met één l geschreven.

Afwijkend spellen is een elitaire zaak, zegt Molewijk ergens in zijn boek. Hij heeft geen boodschap aan mensen die moeilijkheden hebben met de spelling; deze halfanalfabeten hebben dat alleen te danken aan hun ongeïnteres- seerde leraar.

Ik zou zeggen: laten we voorkomen dat de voorgeschreven spelling van het Nederlands een dode, elitaire taal maakt. Misschien moeten we in de toekomst af en toe toch nog een paar deregulerende taalaanvegers laten meepraten.

    • A.A. de Boer