Fokker in de revisie?

HET NEDERLANDSE kabinet weet zich geen raad met Fokker. Dat is weliswaar begrijpelijk, want enerzijds is iedereen doordrongen van het besef dat Fokker te klein is voor een zelfstandige toekomst, maar anderzijds wil niemand in Nederland eigenlijk Fokker kwijt. Acceptabel is zulke radeloosheid voor niemand, want radeloosheid leidt tot een strategische stuurloosheid, waardevermindering, afkalving van kennis en elan.

Al jaren geleden heeft de Nederlandse regering als groot aandeelhouder Fokker te verstaan gegeven dat het een partner moest zoeken. Kabinet en parlement waren het erover eens dat het te riskant werd om telkens grotere kredieten aan Fokker te geven voor de ontwikkeling van nieuwe toestellen op een markt met krachtiger tegenspelers. Ook de banken werden voorzichtiger. Deze opvatting was er een van berustend realisme, waar niemand erg vrolijk van werd, maar het was de logische consequentie van een economie met open grenzen, van een terugtredende overheid en van een paar trauma's inzake industriebeleid, voorop het RSV-debâcle.

Fokker vond een partner, dat wil zeggen, het vond een koper onder leiding van de voortvarende, misschien al te voortvarende Nederkoorn. Vervolgens schrok het kabinet van de gevolgen: Fokker weg? Een dynamo voor innovatie, voor hogere opleidingen en voor ingenieursbureaus weg uit Nederland?

Een minister van wie gegeven zijn portefeuille en zijn managementsverleden een heldere lijn en daadkracht mochten worden verwacht, voerde vervolgens een zeldzaam stukje radeloosheid op. De minister ging nota bene zelf onderhandelen met een onderdirecteur van het Daimler-Benz-concern, riep een Kamercommissie terug van vakantie, zag in een nachtelijke sessie de Duitse koper en de Fokker-directie eendrachtig het spel spelen en moest de ene na de andere hoog opgespeelde voorwaarde laten schieten. Voorgeschiedenis en uitgangspunt maakten dat minister Andriessen zichzelf had veroordeeld tot een nacht loven-en-bieden met voor iedereen zichtbaar slechte kaarten. Dat mag een onderhandelaar niet gebeuren.

INMIDDELS WORDT alom gemokt. Premier en vice-premier zien een kans om via een onduidelijkheid in het contract - de Fokker 50 - een voet tussen de deur te zetten en minister Andriessen kon derhalve vorige week een brief op hoge poten schrijven aan Dasa. De Fokker-directie en Economische Zaken staan wederom op het punt via de media slaags te raken. Een heropvoering van het zomertheater moet niet uitgesloten worden geacht.

Maar wat wil de Nederlandse staat? Wil hij een simpel gebaar aan de vakbonden om nog enige tijd extra produktielijnen open te houden? Dat kan, al moet iedereen zich realiseren dat de houdbaarheid van dit soort afspraken beperkt is. Wil hij een complete industrietak in Nederland behouden? Dat kan, maar dan moet de bereidheid tot forse kredietverlening worden uitgesproken, want anders is het huidige misbaar niet geloofwaardig.

Of wil het kabinet de huid gewoon zo duur mogelijk verkopen? Dat kan, maar dan moeten geen verwachtingen worden gewekt, die vervolgens tot frustraties leiden.

NEDERLAND HEEFT geen industriebeleid, gelooft er eigenlijk al geruime tijd niet meer in, maar het schrikt als het met de gevolgen ervan wordt geconfronteerd. De verantwoordelijke bewindsman duwt en trekt aan Fokker zonder doel en zonder middelen. Kortom, het recept voor een slechte afloop ligt gereed.