Finsterlins erotische kabouterhuisjes

Tentoonstelling: Hermann Finsterlin. Werken op papier en modellen. T/m 25 okt. in Stedelijk Museum Amsterdam, dag. 11-17u.

Wie een ontwerp voor een gebouw Casa Nova noemt, lokt dubbelzinnige interpretaties uit. De Duitser Hermann Finsterlin (1887-1973), die deze titel aan een tekening uit 1921 gaf, heeft het de kijker bovendien heel gemakkelijk gemaakt: uit puntige tentvormen rijst een reusachtige, gekromde staaf omhoog, bekroond door niet twee, maar liefst vier ballen. Misschien is het overdreven om in dit gebouw een bordeel te zien, maar men hoeft geen aanhanger van Freud te zijn om de staaf als een fallische vorm te beschouwen.

Casa Nova is een sleutelwerk op de expositie in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Door de staafvorm en de titel slaat het een brug tussen Finsterlins ontwerpen voor gebouwen en zijn erotische tekeningen, waaruit de tentoonstelling bestaat.

Sommige erotische tekeningen, die net als de architectuurontwerpen vrijwel allemaal dateren uit de jaren 1915-'30, beelden in gestileerde lijnen en ijle kleuren bekende mythologische en bijbelse taferelen af: Leda en de zwaan, Eva, Pygmalion, de geboorte van Venus en Judith die nog tijdens de geslachtsdaad, zittend op Holofernes, met een reusachtig zwaard zwaait om zijn hoofd af te hakken. Andere erotische afbeeldingen zijn humoristisch, zoals Akrobaten, waarop een seksuele handeling wordt afgebeeld die inderdaad buitengewone lichamelijke vaardigheid vergt. Of Elefantiasis, waarop een naakte vrouw behaaglijk tegen een olifant leunt die met zijn slurf doet wat mannen gewoonlijk met hun geslachtsorgaan doen.

Finsterlins ontwerpen voor gebouwen lijken sprekend op zijn vleestekeningen. Vrijwel zonder uitzondering bestaan zijn bouwsels uit opeenstapelingen van organische vormen in dezelfde kleuren als die van zijn erotische werk. Toch bedoelde Finsterlin ze serieus. Genoeg als hij had van de rechte lijnen en hoeken van de gebruikelijke architectuur, beschouwde hij ze als heuse aanzetten voor een nieuwe bouwkunst, bevrijd van alle knellende regels.

Het architectonische werk van Finsterlin staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van het expressionisme dat in het Duitsland van vlak na de Eerste Wereldoorlog veel aanhang kreeg onder jonge architecten. De expressionisten droomden van een nieuwe, spirituele wereld, waarin de bevolking zou zijn ondergebracht in kristallijnen en organisch gevormde gebouwen. Over dit soort dromen correspondeerde Finsterlin met architecten als Walter Gropius, Bruno Taut en Hans Scharoun in een briefwisseling die werd aangeduid als "Die Gläserne Kette'. Maar terwijl de anderen in de loop van de jaren twintig werden getemd door de Nieuwe Zakelijkheid, bleef Finsterlin steeds een overtuigd expressionist, zoals blijkt uit een ontwerp op de tentoonstelling uit 1929 dat nauwelijks afwijkt van dat van dertien jaar eerder.

Finsterlins trouw aan het expressionisme is niet beloond: er is nooit een ontwerp van hem uitgevoerd. Het was de veel minder trouwe Erich Mendelsohn die met zijn Einsteintoren uit 1921 in Potsdam de expressionistische droom nog het dichtst benaderde. Helemaal onbegrijpelijk is dit niet, want vergeleken met Mendelsohns dynamische schetsen voor fantasiegebouwen, maken Finsterlins ontwerpen een onbeholpen, primitieve indruk. Eerder dan gebouwen voor een nieuwe, spirituele wereld lijken ze op onderkomens voor kabouters en andere wezens die graag laag bij de grond vertoeven.