Brandt verzoende hele generatie met Duitsland

Na Olof Palme en Joop den Uyl is met Willy Brandt de laatste vaderfiguur van de sociaal-democratie verdwenen. Onverwachts kwam zijn dood niet. Op het laatste congres van de Socialistische Internationale, in september in Berlijn, had Brandt al verstek moeten laten gaan.

De schok is groot. Voor mij was Brandt de meest directe verbinding met deze eeuw, met de geschiedenis. Hij verzoende mijn generatie met Duitsland door zijn Ostpolitik en zijn knieval voor het monument in het Warschause getto. Hij was een radicale sociaal-democraat, die in zijn latere leven het veilige midden niet als hoogste politieke wijsheid beschouwde. Integendeel, hij bleef tot het einde richting geven aan de internationale sociaal-democratie, zonder ooit als elder statesman potsierlijk te worden. Welbewust maakte hij daarbij gebruik van zijn gezag en hij slaagde erin de waarden van de sociaal-democratie - vrijheid, gerechtigheid en solidariteit - effectief uit te dragen.

Deze vaak afstandelijke figuur oefende zo'n grote aantrekkingskracht op mij uit omdat hij zich bleef opwinden over zaken die niet deugen. Hij deed dat, anders dan Palme en Den Uyl, altijd afgewogen en beheerst. De kracht zat hem in de onderdrukte emotie, waarmee hij kon verzoenen, ver over de grenzen van de eigen politieke beweging heen. In de persoonlijke omgang met de generatie van de jaren '60, in leeftijd bijna zijn kleinkinderen, bleef hij gereserveerd. Je kreeg nooit de aandrang hem in een persoonlijk gesprek Willy te noemen, zoals Den Uyl simpelweg Joop was. Die gereserveerdheid in het persoonlijke gesprek maakte plaats voor grote gedrevenheid wanneer hij een groep of een zaal toesprak. Hij spaarde zijn intimiteit om die ten behoeve van zijn politieke doelstellingen met velen te delen. Dat was het geheim van zijn redenaarstalent en hij was zich daarvan goed bewust. De sleutel tot het effectief omgaan met de eigen radicaliteit lag in het overtuigen van velen. Van de burgers van Berlijn, die in augustus 1961 de Muur wilden bestormen, tot aanhangers van de toen nog verboden Spaanse Socialistische partij midden jaren '70.

Weinigen konden zich een vriend van Brandt noemen. Hij ging spaarzaam met zijn vriendschappen om, zoals SPD-kopstuk Johannes Rau vrijdag zei. Maar hij was wel bereid velen in zijn omgeving te laten delen in zijn eigen geschiedenis. Vanuit zijn historische ervaring gaf Brandt in persoonlijke gesprekken inzicht in de politieke mogelijkheden en onmogelijkheden van het moment. Door een korte karakterschets van personen naar wie je informeerde, was hij in staat het kaf van het koren te scheiden.

Ook leerde ik hoe diplomatie wel en niet te gebruiken. In het persoonlijke gesprek was hij vaak nog voorzichtiger dan in zijn openbare optreden. Soms was dat een koude douche. Toen ik voorstelde dat hij in Moskou nogmaals persoonlijk over de kruisraketten zou gaan onderhandelen, antwoordde hij: “Dat lijkt me geen perfect idee”. Daarmee was de kous af.

Altijd was hij bereid voor dissidenten in te springen en daarvan in Oost-Europa of Zuid-Afrika een punt te maken. Door die houding heeft hij in al zijn contacten met de communistische wereld, nooit zelfs maar de schijn gewekt gemene zaak te maken met de communistische machthebbers.

Brandt stond in de eerste plaats voor de verbinding met de Europese geschiedenis en de successen en het falen van de sociaal-democratie daarin. Hij leerde ook de radicalen van de jaren zestig in te zien dat radicaliteit wordt afgemeten aan het resultaat en niet aan het volume waarmee een mening wordt verkondigd. Van dit alles heb ik kunnen profiteren toen ik voor hem werkte, gedurende zijn voorzitterschap van de Socialistische Internationale. Wat een verschil met Mitterrand, die altijd op kilometers afstand bleef. Voor Mitterrand had je enig respect, voor Brandt had je ontzag. Palme beschouwde je als een vriend en van Den Uyl hield je.

Als jong verslaggever van het Algemeen Handelsblad heb ik Brandt voor het eerst aan het werk gezien in de historische verkiezingscampagne van 1969. Toen al met het karakteristieke doorrookte stemgeluid de mensen overtuigend dat Duitsland de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog moest accepteren. Duitsland kon de Muur alleen afgebroken krijgen door eerst te aanvaarden dat hij bestond. Ik begreep toen niet waarom het nodig was dat Brandt - symbool van het verzet tegen Hitler - in een grote coalitie zat met de CDU, onder aanvoering van het ex-NSDAP-lid Kurt Georg Kiesinger. Maar 's avonds in de restauratiewagen van de campagnetrein legde hij de buitenlandse verslaggevers uit: “Anders zou de Duitse kiezer mij niet accepteren”.

Brandt werd bondskanselier en dat leidde tot de Ostpolitik. Hij heeft Duitsland een normale plaats in Europa gegeven. De knieval in Warschau - december 1970 - was het beslissende gebaar. Hij weigerde daar later lang over te praten: “Ik hoefde dat niet te doen. Maar ik deed het voor de Duitsers, die het moesten doen, maar het lange tijd nog niet konden”. Was dat vooruit bedacht, die knieval, vroeg ik. “Nee, dat geloof ik niet. Das kamm so.” Met dat korte antwoord moest je het doen.

Brandt en Bahr, de intellectuele architect van de Ostpolitik, bleven in tegenstelling tot wat Nieuw Links en Franz Josef Strauss dachten, altijd overtuigde anti-communisten. De Ostpolitik was naast de verzoening van de buren met Duitsland en de noodzaak tot bewustwording van het eigen verleden in Duitsland, ook iets anders: het stukje bij beetje afbreken van de Muur. Dat wordt ook duidelijk in Brandts laatste boek, Erinnerungen. “Berlin wird leben, die Mauer wird fallen”, schreef hij, voordat het werkelijk zover was. Brandt en Bahr bleven Berlijners.

Beter dan zijn partij begreep hij in 1989 hoe historisch het moment was dat de Muur viel. Op 9 en 10 november heeft hij dat historische gelijk in Berlijn mogen smaken. Hij heeft zich verbeten dat SPD-kanselierskandidaat Lafontaine dat in de verkiezingen van 1990 niet wist te symboliseren. Toen ik in 1990 zei mij zorgen te maken over de tendensen binnen de SPD om in het verenigde Duitsland de NAVO vaarwel te zeggen, antwoordde hij: “Dat zal wel loslopen, maar Lafontaine heeft niet genoeg benul van de buitenlandse politiek”. Wie nu de hulpeloosheid van de SPD ziet in het asieldebat in Duitsland, vraagt zich af hoe Brandt daar positie in zou hebben gekozen.

Was er dan niets op Brandt aan te merken? Natuurlijk. Hij had weinig oog voor details. Het lukte hem niet om op de binnenlandse politiek van de Bondsrepubliek een even duidelijk stempel te drukken als op de buitenlandse politiek. Dat heeft Helmut Schmidt wel gedaan, maar zonder Brandts motto: meer democratie wagen.

In het buitenland was Brandt onomstreden. In Duitsland niet. Zijn val als bondskanselier in 1974 werd, geloof ik, uiteindelijk niet veroorzaakt door de aanwezigheid van de DDR-spion Günther Guillaume in zijn directe omgeving. Helmut Schmidt en vooral Herbert Wehner vonden Brandt niet meer geschikt om Modell Deutschland verder vorm te geven. Helmut Schmidt zou een affaire-Guillaume hebben overleefd. Brandt was een man voor de buitengewone omstandigheden: als burgemeester van Berlijn waar hij niet toegaf, als bondskanselier van de Ostpolitik. Hij was niet de man om aan het hoofd te staan van een normale Bondsrepubliek.

Eén detail heeft me enorm gestoord in dat Modell Deutschland van Helmut Schmidt. In een verkiezingsbrochure van 1976 of 1980, stond Schmidt afgebeeld als jonge luitenant aan het Russische front in de Tweede Wereldoorlog. Ik voelde dat als onbedoelde trap na naar Willy Brandt. Maar door zijn val als bondskanselier werd Brandt voorzitter van de Socialistische Internationale. Anders had ik hem waarschijnlijk nooit leren kennen en dat zou een waardevolle ervaring minder zijn geweest.

    • Maarten van Traa