Bosnische realiteiten (1)

De burgers van mijn belegerde geboortestad Sarajevo dragen hun leed heldhaftig. Hongerig en dorstig, gewond, temidden van de puinhopen van hun stad vragen zij zich af: “Waarom juist onze stad, waar al eeuwenlang moslims, orthodoxen, joden en katholieken vreedzaam samenleven?” Nu weer zaait de Servische journalist Slavko Curuvija verwarring met zijn cynische en provocerende artikel "EG kan moslims helpen nieuw vaderland te vinden' in NRC Handelsblad van 5 oktober.

Terwijl de Servische regering Milosevic, samen met zijn bendeleider Karadzic, algemeen als eerst-verantwoordelijken worden gezien voor de ravage in het voormalige Joegoslavië, presenteert Curuvija de EG de rekening, omdat zij de zelfstandigheid van de federatieve republiek Bosnië-Herzegovina erkende, nadat was aangetoond dat deze aan de voorwaarden van erkenning van de mensenrechten van minderheden voldeed. Deze minderheden trachten nu de moslim-meerderheid met geweld uit hun republiek te verdrijven.

De Hongaarse schrijver Konrád zei onlangs in Amsterdam dat het idee van een etnische staat de gedachte sanctioneert dat mensen slechts met elkaar kunnen wonen als ze voorvaderen en een rijkelijk in nevelen gehuld verleden delen, terwijl een staatsvorm slechts burgerrechten hoeft te garanderen. Nog daargelaten dat in de etnische lappendeken van Bosnië kantonisering slechts kan worden verwerkelijkt ten koste van onmenselijke etnische zuivering.

Curuvija doet het voorkomen alsof de moslims vrijwillig hun republiek zouden verlaten, hun geliefde bergen en dorpen. Ik heb 27 jaar in hun midden geleefd en ondervonden dat juist de Bosnische moslims de meest tolerante en vredelievende bevolkinggroep van ex-Joegoslavië was. Het is beschamend dat de beschaafde wereld toestaat dat Bosnische kinderen uit hun stad verdreven worden omdat er voor hen geen vaderland meer is.