Waar is de Westertoren?

Er was nog een half uur over voor wij aan tafel zouden gaan, en ik besloot een kleine wandelronde in de buurt te maken, niet omdat ik zo wandelzuchtig ben, maar omdat wandelen bevorderlijk heet voor de gezondheid. Ik volgde met iets meer dan een slentergang de aangegeven baan van de gracht waar ik woon en waar elke straatsteen zo bekend en vertrouwd is dat ik hem nauwelijks nog zie; zelfs het café met de vlonder op het water vlak voor de opgang naar de brug, waar altijd mensen buiten zaten, was uit mijn visie verdwenen, zo stelde ik na vijftig meter over de brug vast. Ik had slecht gekeken, mijn geest was nog bezig met zaken binnen mijn vier wanden. Ik had de Westertoren willen groeten die hier voor mij het monumentale baken in de huizenzee vormt, ik keek nog eens om, maar ik bevond mij al in de tweede fase van mijn wandeling, ik rondde (of kantte) een straathoek, ik stond aan het begin van de originele doolhof van straatjes en binnenplaatsen, die verschillende routes mogelijk maakte, en vermaande mijzelf om mijn aandacht niet weer te laten verslonzen. De zelfkapitteling had weinig uitwerking, ik liep al weer als op een innerlijk, buiten mijn bewustzijn bestaand patroon, een zijstraat in die hoogst toevallig gekozen leek: een rij gevels aan beide straatzijden in diverse gradaties van oudheid en schoonheid, op ettelijke plaatsen gebroken door een grijs gat van vroegere, nog niet goedgemaakte afbraak, een paar winkeltjes waar men dingen verkocht zoals waaiers, halskettingen van nagemaakt barnsteen, plastic varens in een koperen pot en ouderwetse gezelschapsspelletjes als halma en mens-erger-je-niet. Alles hing en stond er ietwat scheef bij en zat ten overvloede onder een laag stof. Klanten waren er dan ook niet. Bij een van de huizen keek uit een gelijkvloers raam een oeroud mannetje met roodgerande ogen naar mij op, hij schudde het hoofd en bewoog zijn lippen tot woorden die ik niet kon verstaan. De groenteman die ik had verwacht was er niet meer, wat mij verwonderde daar ik twee dagen geleden nog een kilo pruimen bij hem had gekocht.

De zon zat laag, er schoof veel schaduw door de straat; de weg voor mij uit was onduidelijk. Ik moest hier op goed geluk weer een hoek omslaan, waar ik een ogenblik stilstond bij de aanblik van donkere, hoge panden die ik meende niet eerder in deze buurt te hebben gezien, ofschoon hier sprake kon zijn van een stadsdeel dat weinig oogvertier bood en dat ik derhalve meestal links had laten liggen. Ik zag voor mij uit wel eens een gedaante min of meer haastig oversteken en verdwijnen, maar de algehele verlatenheid hier viel toch op, zelfs geen geparkeerde auto's, maar dat was ook weer niet zo gek, gezien het feit dat hier meest een arbeidende bevolking woonde en zojuist de bouwvak was begonnen - dat wil zeggen de vrije weken van al wat in de bouwvakken werkt. Ik doorkruiste twee of drie straatjes die mij met deprimerende baksteenblokken insloten - geen woningen meer, maar pakhuizen, zij het met het voorkomen of de laatste zak rogge en de laatste bundel koperdraad hier tijden geleden voor muizen en roest bezweken waren.

Waarheen voor de duivel leidt mijn pad? En hoe laat is het? Ik hoor geen klok slaan. Waar is de Westertoren? Ik ben de toren kwijt, en ik ben het pad kwijt, een padvinder ben ik nooit geweest, ik kijk links en rechts en moet vaststellen dat ik verdwaald ben. Dat is iets wat mij belachelijk aandoet, ik ben toch nog geen tien minuten onderweg, of is dat soms ook zinsbedrog? Ik moet de juiste bocht, de verlossende straathoek hervinden; als ik eenmaal op een bekend punt ben aangeland zal mijn wandeling zich volgens een normale ommegang voltrekken. Het is toch te gek dat ik in mijn eigen stad voor oriëntatieproblemen sta, die zijn immers voorbehouden aan mensen met een hersengebrek of aan mensen met zo'n bloeiend innerlijk leven dat ze blind zijn voor de schaamte van de buitenwereld. Ik zoek. Mijn zoeken wordt niet beloond. De deprimerende hoge muurvlakken, de doffe kolossen van onbewoond metselwerk, met groene schimmel overtrokken, beheersen de architectuur van dit stadsdeel en staan geen uitbreken toe. Hier en daar vang ik een doorkijk op waarin ik iets meen te herkennen, al valt het vreemd op deze plek: een grijs watervlak met een brug of een molen. Zeker, zeker, er zijn molens in deze stad, vooral aan de periferieën, maar het is toch wel een vergissing dat ik vanuit mijn grachtje in de binnenstad verplaatst zou zijn naar stadssegmenten die normaal pas over lange afstanden zijn te bereiken. Hier is een metamorfose in de ruimtelijke ordening aan de gang die mij grote zorg baart; heel de stad lijkt herleid te zijn tot een duister fort vol schemerige wandelgangen, waar ik mij met moed doorheen werk, omdat ik nog steeds geloof dat een enkele juiste wending in de route mij kan terugbrengen naar vertrouwd gebied.

Wat mij eerst verwonderde is intussen onloochenbare werkelijkheid geworden: de mensen in deze vormloze steenklomp zijn ondergedoken, zij tonen hun aanwezigheid noch door rook, noch door licht of tumult, hoewel ze godweet wat dat laatste betreft altijd hoogst vindingrijk waren - zwijgende bestekken en ongedifferentieerde kadasters zijn al wat ik ontdekken kan. Er begint een aanzet tot wanhoop in mij te knagen, zoals een eerste begin van maagpijn zich sluipend aankondigt. Niet toegeven, niet toegeven! Ik weet dat ik ergens een vriendelijker stadswijk zal vinden, nieuwbouw met plantsoentjes, een tramlijn, reclameborden met kleur - kleur heb ik nodig, onverschillig of het voor bier, een automerk of een of andere foxy mode is. Kleur wordt mij ontzegd. Het begeerde opmonterende stadsdeel schijnt te zijn verlegd, ik struikel onverhoeds over puin en pal daarop over opgewrikte pollen aarde met het stugge gras er nog aan; mijn voeten gaan zwaar en strompelend door polderland.

De bliksem en de weerga! dit is toch niet gewoon meer, ik kom nauwelijks nog vooruit, en tot overmaat van ramp strijkt over dit open lage veld de duisternis van najaarsbuien. Dit is geen stad meer, dit is meer, dit is kwebland, hier wil en kan niemand wonen, hier wordt de afgewerkte neerslag van onze industrie gedumpt, hier stinkt het naar zwavel. Heilige Christoffel, in wie ik niet geloof, schutsheer van schippers, beurtvaarders en vrachtwagenchauffeurs, - geleid mij, al hoor ik bij geen van uw drie schutscategorieën thuis. Heeft de oude reus met de wandelstaf vol knoesten mij verhoord? Voor 't eerst verneem ik weer een mensenstem. Voor mij uit, bleek als matglas, maar doffer, strekt zich een kanaal of een poldersloot, ik weet niet wat, ik strompel naderbij, ik bereik moeizaam een hellende waterkant. Er klinken meer stemmen, er zijn mensen. Ik zie schepen, plomp als reuzenklompen, in de vaart, twee, drie; het schippersvolk is voor een deel naar de waterkant gekomen. Ik nader, de waterberm is onvast en ik glibber. Er liggen hier, godbeware, plekken sneeuw. Sneeuw? Ik meet mijn eigen snelle neergang af aan de vanzelfsprekendheid waarmee ik het winterfenomeen aanvaard. De scheepsmensen, mannen en vrouwen, alleen herkenbaar aan hun stem als zodanig, maken zich ergens druk over, een oudere vrouw spreekt geagiteerd, een man met een nog zichtbare uniformjas - zo werden ze in mijn jeugd door postbodes gedragen - spreekt haar sussend toe, alle anderen bemoeien zich er mee, het conflict ontgaat mij. Mij beweegt slechts één ding, als ik aan de oever van sneeuw en modder bij hen opduik. Zij staren mij aan, verbaasd maar vooral vijandig, vol ongeduld. Ik waag het toch en ik vraag: “Waar is de Westertoren?” Nu volgt er verwondering, tijdelijk zwijgen. Eindelijk wijst de geagiteerde vrouw ergens achter zich, naar een horizon waar alleen een wolk hangt als een onweersbui. Ik tuur en tuur. “Waar ben ik dan?” Iemand grinnikt, maar niemand antwoordt. Ik mompel: “Bedankt” -, en struikel verder.

Het water eindigt, de sneeuw is weg. Ik zie - niet te geloven - een viaduct. Wat er overheen loopt, een rijweg of een spoorbaan, is niet duidelijk. Het viaduct is niet meer dan een vuil stuk beton met een vierkante opening. Voor mij uit - o wonderwerk - stampen twee jongetjes. Ik probeer ze in te halen. Ze spreken hoog en hard en doen hun best elkaar te overstemmen, het is de toon van de competitie die ik hoor, van zwets- en heibelzucht, al stampen die twee in harmonie met elkaar voort. Ik versta van hun kinderlijke palavers maar twee woorden: “naar huis”. Ik moet op het goede spoor zijn als ik de knaapjes volg. Zij duiken in het viaduct, ik duik achter hen; wij komen het viaduct uit, er is een soort wandelpad van gebroken tegels, het rijst, het daalt, het bocht . . . We belanden in een duistere voorstad, de jongetjes zijn verdwenen, blijkbaar thuis. Ik weet bijna zeker dat hier een tram moet lopen, ik hoop het tenminste. Ik zoek op de oneffen straat naar rails -, ze zijn er. Ik zie ook het eerste haltebord. Het staat onder een lantaarn, en de lantaarn geeft waarachtig licht, zij het een groezelig en onrustig schijnsel. Gas, electra, natrium, olie, het doet er niet toe, het licht is het eerste signaal van de verlossing. Ik nader de halte, al wat ik zie is plomp en houterig; een abri is er niet, het bord is primitief beschilderd met de naam van een straat, waarvan ik nooit heb gehoord, maar wie kent alle straten van de stad waar hij woont? De bank, waar twee wachtenden zitten, is een zodenbank. Wie heeft dat bedacht, hebben wij een nieuwe directie van het openbaar vervoer? De wachtenden zijn twee jonge vrouwen. Ik herken ze ook, de eerste is een meisje van even in de twintig die het hoofd wel recht houdt, maar om de mond een bittere trek van rancune of levensonlust heeft. Haar onderlip hangt in de pruilstand. Ze kijkt naar mij met een donkere, verongelijkte blik, en beantwoordt mijn groet maar half. Ik probeer haar thuis te brengen - vanwaar ken ik die pruillip? Jawel, ik heb het: de kelnerin uit een oud-Hollands restaurant waar ze mij dikwijls vijfschaft of raasdonders heeft geserveerd. Ik noem haar meteen Q. - de Q van Querele. Ik raap een restje beminnelijkheid bijeen en vraag: “Waar is de Westertoren?” Ze staart mij aan en zegt dan op een toon alsof ze wil gaan huilen: “De tram is laat.”

Ik kijk naar de andere jonge vrouw op de zodenbank. Het is mijn dochter! Ze zit daar stil in zichzelf teruggedoken, met afgewend hoofd. Ze is magerder dan ik haar ken, haar profiel van een smalle aandoenlijkheid. Waarom doet ze zo afzijdig? Ik vermoed dat ze mij er van verdenkt een intrige'tje te willen beginnen met Q., waarbij ze me niet wenst te hinderen. Ik roep tot niemand in 't bijzonder: “Waar gaat die tram naar toe? Wat kost een kaartje?” Mijn dochter zwijgt, Q. antwoordt stroef: “Vijfenzeventig cent.” Ik steek de hand in mijn zijzak, daar zit soms wat los geld; ik diep een kwartje, twee dubbeltjes en een stuiver op. Ik zeg benauwd: “Ik heb maar vijftig cent.” “Dat ontbrekende kwartje krijgt u van mij!” zegt Q. die in mij waarschijnlijk inmiddels een vroegere klant heeft herkend. Ik denk: mijn dag is goed, ik ging praktisch zonder geld van huis, zo'n kwartje extra is mooi meegenomen. Ik kijk weer naar mijn dochter, nog altijd verwonderd dat ik haar hier moest aantreffen. Ik vraag: “Zeg jij het dan. Waar moet ik uitstappen voor de Westertoren?”

Ze keert haar gezicht naar me toe, ze schudt triest het hoofd. “Wat vraag je daar toch aldoor naar? Je weet toch dat de Westertoren in de laatste oorlog totaal is verwoest?”

    • Theun de Vries