Verzekeraars met lange vingers (2)

Wat is de zin van een spaarverzekering als de fiscale voordelen nagenoeg opgaan aan kosten en zelf sparen soms meer oplevert dan verzekeren?

Hoe ontdek je de voor- en nadelen van zo'n constructie? Een beoordeling met de vorige week beschreven punten toont welke polis kwantitatief de beste prijs/rendement verhouding levert. Ter illustratie twee voorbeelden uit het aanbod op dit gebied.

Een polis van maatschappij A en een van B, spaarverzekeringen met een gegarandeerd minimum (het kan ook meer opleveren) rente/opbrengst, bedoeld om tegen betaling van premie een (ten dele) onbelast kapitaal op te bouwen.

In de tabel zijn beide offertes ontleed. De verzekerde is een man van 35 jaar die een polis af wil sluiten voor 20 jaar met een maandpremie van 200 gulden. In de tabel nog een derde alternatief: iemand die zelf spaart.

De offertes zijn onder voorbehoud, want pas na invulling en ondertekening van het aanvraagformulier bepaalt de verzekeraar de definitieve voorwaarden en uitkeringen.

Wat kan je afleiden uit deze vergelijking? Verzekeraar A garandeert een rente van gemiddeld 4 procent per jaar over de looptijd en keert 61.196 gulden uit. En B garandeert 5 procent en 59.270. De rente op zich zegt dus niets over het resultaat. Een bedrag van 200 gulden per maand geeft na 20 jaar tegen 4 of 5 procent rente (op rente) respectievelijk 73.599 en 82.549 gulden, met inbegrip van 25.599 en 34.549 gulden aan rente.

Beide verzekeraars keren minder uit dan de som van de totale inleg (48 duizend) en rente. Het verschil, 12.403 en 23.279 gulden, reserveren zij voor overlijdensdekking, vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid, rentegarantie en administratiekosten en winstopslag. Opvallend is het verschil in kosten: B rekent bijna tweemaal zoveel als A, een direct writer die werkt zonder tussenpersonen. Waarom is dat?

Een woordvoerder van B beroept zich op de kosten voor een onafhankelijke bemiddelaar die op provisie (circa 7 procent van de premie) werkt: "Die zoekt de juiste verzekering voor zijn cliënt, als hij vindt dat het een goede spaarconstructie is. Eigenlijk moet je eerst gebruik maken van de rente- en dividendvrijstelling vóór je spaart via een verzekeraar.' Zij van A geven geen onafhankelijk advies, maar zullen de eigen produkten aanbevelen, meent B.

Hoe ligt de verhouding als de maatschappijen er in slagen een gemiddelde van 8 procent te scoren. Rekenkundig komt de som van inleg (48 duizend) en rente (70.589) na 20 jaar dan uit op 118.589 gulden. Polis A betaalt echter 95.621 uit en B slechts 82.462 gulden. Of: 22.968 en 36.127 kosten, gemiddeld 55,65 en 87,55 per maand op een premie van 200 gulden. In ruil voor die kosten proberen de verzekeraars die 8 procent netto (bruto meer) te behalen, geven zij dekking bij arbeidsongeschiktheid en overlijden èn een onbelaste uitkering.

Stel dat een particulier zelf ook 8 procent maakt, dan komt hij niet op die 118.589 gulden aan het eind, want de fiscus belast de rente. Maar wat is dan wèl het netto eindsaldo? Bij een tarief van 35 procent: 93.883 en bij 50 procent: 83.295 gulden. Ter vergelijking: A betaalt 95.621 en B 82.462 gulden.

Conclusie: Bij een rendement van 8 procent kan het belastingvoordeel (een vrucht van de Brede Herwaardering) op gaan aan kosten die de verzekeraar rekent. Je kan net zo goed zelf sparen in plaats van een verzekeraar gelukkig te maken. Het wordt tijd dat de overheid dat inziet en de individuele rente-en dividendvrijstellingen verruimt.

Tabel:

VERGELIJKING SPAARMOGELIJKHEDEN

onderdelen....................polis.A.........polis.B....zelf sparen

maandpremie/inleg.............200.............200........200

na 20 jaar....................48.000..........48.000.....48.000

minimum rente.................4%..............5%.........geen

en opbrengst..................61.196..........59.270.....73.599 (bij 4%)

.........................................................82.549 (bij 5%)

rente deel....................25.599..........34.549

aftrek kosten.................12.403..........23.279.....geen

indien rente,.................8%..............8%.........8%

dan opbrengst.................95.621..........82.462.....118.589

rente deel....................70.589..........70.589.....70.589

IB 35.%.......................-...............-..........24.706

IB 50.%.......................-...............-..........35.294

aftrek kosten.................22.968..........36.127.....-

uitkering/rente IB-onbelast...ja..............ja.........neen,

tot 220.000,-.p.p........................................1000,-.per.jr.

bij overlijden:

som betaalde premies..........ja...............ja........neen spaarsaldo,

indien groter dan som.........ja...............ja........altijd

minus IB, afh. van looptijd...ja...............ja........neen

premievrijstelling bij

arbeidsongeschiktheid.........ja...............ja........neen

afkoopwaarde in offerte.......neen.............ja........spaarsaldo

    • Adriaan Hiele