Sciarrino flonkert geheimzinnig zacht

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Sarah Leonard (sopraan), Anna Catarina Antonacci (sopraan), Pietro Ballo (tenor) en William Shimell (bariton). Werken van Ketting, Sciarrino en Strawinsky. Gehoord: 8/10 Concertgebouw, Amsterdam. Herhaling Ketting en Strawinsky aldaar op 14, 15, 18/10.

Wij hebben geen zoemcultuur en schuiven niet aan bij de ijskast om te genieten van zachte klanksuizingen. Maar er is ten minste één componist die zich gespecialiseerd heeft in subtiel zoemen en suizen: de 45-jarige Siciliaan Salvatore Sciarrino, wiens werk wordt uitgevoerd tijdens het eerste C-concert van het Concertgebouworkest. Zeven Italiaanse componisten vormen dit seizoen de rode draad in de serie en Sciarrino is daarvan een van de meest boeiende en zeker de meest consequente. Zo schreef hij eens een fluitconcert waarin de solist het mondstuk geheel in zijn mond moet houden!

Doen al die flageoletten, trillers en glissandi in de solowerken soms etude-achtig aan, in de groter opgezette composities zoals in het tweeluik Il paese sens'alba voor orkest en Il paese sensa tramonto voor sopraan en orkest, beide uit 1977 en vaak verwijzend naar zonsopgang en zonsondergang, staan al die effecten wel degelijk in dienst van een coherent en zelfs verrassend rijk geschakeerd, om niet te zeggen hoogst opwindend muzikaal betoog.

De fragmenten van Giovan Battista Marino, waardoor Sciarrino zich liet inspireren, zijn afwisselend bespiegelend en sensueel, maar vreemd genoeg maakte de componist juist daar waar men het niet zou verwachten - namelijk waar sprake is van een ingehouden reflectie over gulden meeldraden die zich naar de zon keren - een hoogst verrassende wending, die voert naar een uiterst pathetisch slot.

Alles trilt en flonkert, siddert en suist, geheimzinnig zacht. Vaak is het knisperend omslaan van de bladen op de lessenaars veel sterker hoorbaar dan de muziek zelf, maar in het stuiptrekkende begin en vooral in het bizarre eind pakt Sciarrino expressionistisch uit. De onvoorspelbaarheid vormt de kracht van deze muziek, want op de een of andere manier blijf je op je hoede, Sciarrino is sterk in het larderen van onderhuidse spanningen, met name opgeroepen door de lage blazers.

Otto Kettings Adagio maakte, los van de context van de Derde Symfonie, ditmaal een wat ontheemde indruk. Het publiek reageerde gematigd, toonde zich iets enthousiaster voor de ongekend hoge sopraan Sarah Leonard in Sciarrino's Il paese sensa tramonto en wist niet van ophouden na Strawisnky's Pulcinella, uitgevoerd in de uitgebreide versie met zang. Riccardo Chailly toonde een originele visie: in plaats van de meer gebruikelijke sarcastische Strawinsky vol understatements, dirigeerde hij dit maal een volbloedige "Italiaanse' Strawinsky, de Pergolesi-afkomst benadrukkend. Van de solisten zong de tenor Pietro Ballo zelfs meer in een Bellini-stijl, vol belcanto-ophaaltjes en dynamische vrijheden. Ik vond deze belichting door zijn consequentie en enthousiasme aanstekelijk en zeker te verdedigen. Er werd trouwens op dit eerste C-concert toch al virtuoos gemusiceerd.

    • Ernst Vermeulen