Promovendus: 'Verkokering smoort eenzijdig arbeidsmarkbeleid'

AMSTERDAM, 9 OKT. Bij het oppeppen van de arbeidsmarkt ligt te eenzijdig de nadruk op de "aanbodzijde'. Talrijk zijn de "dwang- en lokmiddelen' waarmee, dikwijls tevergeefs, wordt geprobeerd werklozen aan een baan te helpen. In schril contrast daarmee staat de povere aandacht voor de "vraagzijde'. Bedrijven worden zelden geprikkeld tot het scheppen van nieuwe banen.

Dit stelt economisch-geograaf drs. J.W.M. Mevissen, die dinsdag promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op een verkennend onderzoek naar het arbeidsmarktgedrag van overheid en ondernemingen. Een actueel thema. Het Sociaal- en Cultureel Planbureau kritiseerde amper een maand geleden nog de ondoelmatigheid en ondoorzichtigheid van "arbeidsmarktmaatregelen', waarin jaarlijks circa 1,5 miljard gulden wordt gestoken. En minister De Vries liet vorige week in deze krant weten zich te bezinnen op het nut van loonkostensubsidies.

Mevissen: “De afgelopen decennia is de bemoeienis van de overheid met het functioneren van de arbeidsmarkt bijna ongebreideld toegenomen, in aantallen ambtenaren, maatregelen en guldens. Men noemt het arbeidsmarktbeleid, maar in feite is het beperkt tot werkloosheidsbestrijding. Een echt werkgelegenheidsbeleid, dus niet reageren maar anticiperen, is er niet of nauwelijks gevoerd”.

Mevissens verkenning vormt een breedvoerig pleidooi de oogkleppen af te werpen en de bestaande verkokering en versnippering in het arbeidsmarktbeleid, of wat daar voor doorgaat, af te breken. De voorbeelden liggen voor het opscheppen. “Neem het technologiebeleid. Hoeveel miljoenen zijn daar niet ingestoken? Wat had er nou meer voor de hand gelegen dan een koppeling te maken tussen dit technologiebeleid en het werkgelegenheidsbeleid voor beplaade probleemgroepen op de arbeidsmarkt. Maar nee hoor, Economische Zaken doet iets aan technologiebeleid en geheel los daarvan komt Sociale Zaken met allerlei opleidingsprogramma's voor werkloze academici”, zegt Mevissen.

Ander voorbeeld. Het startersbeleid, in het bijzonder de "experimentele regeling startfaciliteiten vrouwenbedrijven'. Sociale Zaken benadrukte dat het laag opgeleide vrouwen en herintreedsters moest betreffen. WVC hield het "emancipatie-aspect' scherp in de gaten. Bij Economische Zaken bestond grote angst voor concurrentievervalsing. En Onderwijs legde een zwaar accent op scholing, wat in de praktijk nogal lastig valt te combineren met het opstarten van een bedrijfje. Is het met zo'n overkill een wonder dat er nauwelijks initiatieven werden aangemeld? De onzekerheid van de ministeries mondde uit in voorwaarden die het experiment in de kiem smoorden, concludeert Mevissen.

Een overheid die met dergelijk beleid de boer op gaat, organiseert haar eigen nederlagen, zegt Mevissen. “De legitimiteit van het overheidsbeleid brokkelt erdoor af. Komt ze na zo'n mislukking met een nieuw of aangepast instrument, dan is de kans groot dat men zegt: "Oh god, daar heb je haar ook weer.” Het resultaat is paradoxaal: veel arbeidsmarktmaatregelen schieten hun doel voorbij, doordat men dat doel in de voorbereiding gaandeweg uit het oog heeft verloren.

Dit betekent niet dat Mevissen voorstander is van een terugtredende overheid in het arbeidsmarktbeleid. De overheid hoeft van hem geen toontje lager te zingen, als ze maar een nadere toon aanslaat. “De essentie is dat knelpunten die bedrijven ondervinden weer worden gekoppeld aan doelstellingen van het overheidsbeleid. De overheid moet bij voorbeeld naar een bedrijf, dat met moeilijk vervulbare vacatures kampt, kunnen stappen en zeggen: wij zorgen voor geschikte kandidaten, maar dan moeten jullie ze ook aannemen. Dat betekent dat de overheid iets moet gaan doen, dat ze nooit heeft gedaan. Ze moet die bedrijven in, met behulp van consulenten en bureaus die dit soort bemiddelingsdiensten op maat aanbieden, en niet, zoals nu gebeurt, aan de poort blijven roepen dat ze zo voortreffelijk voorwaardenscheppend bezig is.”

Ook de bedrijven moeten volgens Mevissen de hand in eigen boezem steken en niet alleen steeds maar roepen dat het overheidsbeleid niet deugt. “Want laten we wel wezen, die moeilijk vervulbare vacatures van zoëven zijn meestal het gevolg van een slechte informatie over en planning van de personeelsbehoefte. In veel bedrijven is personeelsbeleid gedegradeerd tot een administratieve bijzaak. Ze hebben bijna allemaal de mond vol over human resource management, maar in veruit de meeste bedrijven stelt dat hoegenaamd niets voor. Ze zien wel in dat het voorraadbeheer moet worden ingebed in een logistiek proces opdat ze beter kunnen inspelen op veranderingen in de afzetmarkt, maar dat hetzelfde geldt voor de interne flexibiliteit van je werknemers, en dus ook voor je personeelsbeleid, wordt nog maar zelden onderkend.”

Volledige privatisering van de bijna twee jaar geleden opgezette tripartiete arbeidsvoorziening, wijst Mevissen af. “Er zal altijd een groep overblijven die op de markt niet aan bod komt en die blijft dus aangewezen op de arbeidsbureaus. Maar de arbeidsbureaus zouden de markt wel veel meer kunnen inschakelen. Ze zouden bij voorbeeld tegen commerciële bureaus kunnen zeggen: We hebben hier een groep van honderd langdurig werklozen, als jullie die binnen een afgesproken termijn naar een baan leiden, krijgen jullie een extra bonus.” Dat heeft volgens Mevissen als prettige bijkomstigheid, dat de overheid ook tijdig te weten komt of een arbeidsmarkt-instrument nog werkt. Zoniet, dan laat het commerciële bureau het immers wel uit zijn hoofd naar de opdracht te lonken.

    • Joop Meijnen