OOST-EUROPA

Oost-Europa en de sociaal-democratie. Identiteit, beleid, aanwezigheid. Het dertiende jaarboek voor het democratisch socialisme door Marnix Krop e.a. (red.) 192 blz., De Arbeiderspers / Wiardi Beckman Stichting 1992, f 28,90 ISBN 90 295 2312 3

In Het eerste jaarboek voor het democratisch socialisme, dat verscheen in 1979, waren enkele bijdragen gewijd aan de sociaal-democratie onder het communisme, in Rusland en Oost-Europa. Het kan geen kwaad, schreven de redacteuren destijds, om voordat over samenwerking met communistische partijen wordt gedacht, het lot van de sociaal-democratie in door communisten geregeerde landen voor het voetlicht te brengen. Dergelijke exercities zijn in de tussentijd overbodig geworden. In het onlangs verschenen, dertiende jaarboek kan worden teruggekeken op de houding die de PvdA tegenover de communistische staten in Oost-Europa heeft ingenomen, en wordt vooruitgekeken naar de kansen en mogelijkheden die de sociaal-democratie in de postcommunistische samenlevingen geniet.

De bijdragen aan het jaarboek vertonen weinig onderlinge samenhang. De redactionele inleiding is een kritische beschouwing over de dominante visie binnen de Westeuropese sociaal-democratie op de Oost-Westverhoudingen in het algemeen en op de sociaal-democratische houding ten aanzien van de communistische regimes in Oost-Europa in het bijzonder, nadat de Koude Oorlog over zijn hoogtepunt heen was. Die houding wordt "controversieel' genoemd, ongetwijfeld een understatement. ""Het middel - ontspanning - was het doel - de bevrijding van Oost-Europa - steeds meer gaan overschaduwen'', schrijft de redactie. Deze fase in de geschiedenis van de sociaal-democratie komt in het jaarboek alleen nog aan de orde vanuit de invalshoek van de SED, de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands. Wouter Gortzak ging in de archieven van de SED op zoek naar de PvdA, naar Nieuw Links. Zijn bijdrage, gelukkig geheel gespeend van overbodige ironie, wekt de indruk dat de beweegredenen van de Nieuw Linksers contacten te zoeken met de DDR meer bepaald zijn geweest door onvrede met de gang van zaken binnen de PvdA (en in de Bondsrepubliek) dan door een bijzondere betrokkenheid met de DDR zelve.

De escapades van Nieuw Links in Oost-Berlijn betekenden het einde van de heldere lijn die de PvdA voordien, tijdens de Koude Oorlog, in haar Oost-Europabeleid had uitgezet. Na de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije (februari 1948) liet de partij de optie van een "derde weg' varen en koos ze voor een onverzoenlijke opstelling. Jacques Neeven typeert het beleid van de partij als een ""politiek van kracht'' (naar Konrad Adenauers Politik der Stärke), waarvan het aanwakkeren van "onvrede' in de Sovjet-Unie deel uitmaakte. Slechts incidenteel werden afwijkende geluiden gehoord.

De functie van het openingsartikel van de politicoloog H. Daalder (over moeilijkheden en mogelijkheden voor democratisering in Oost-Europa) blijft na lezing onduidelijk. Voor een toetsing van de ontwikkelingen in de regio aan theorievorming over democratisering is het aan de magere kant. De analyse van is nogal statisch, houdt geen rekening met de voortdurende politieke en economische ontwikkeling waarvan sprake is, en biedt geen raamwerk waarbinnen de ervaringen van de sociaal-democratie zouden kunnen worden geplaatst. Wat dit betreft, ware het beter geweest als de inleiding bij het actuele overzicht van sociaal-democratische partijen, bewegingen en stromingen in Oost-Europa zou zijn uitgebreid tot een analyse van de problemen en uitdagingen waarvoor deze nu staat.

Het jaarboek besluit met een profiel van Willem Hubert Vliegen (1862-1947), grondlegger van de SDAP. Jos Perry schreef een sympathieke biografie (stilistisch fraai en origineel van opzet) van een sympathieke politicus, die meer dan vijf decennia overeind bleef in een beweging vol ""querulanten en neuroten''.