Legio wegen om Europa bij de mensen te brengen; De EG-Ministerraad gedraagt zich als een negentiende eeuwse monarch

Als er over de gebeurtenissen van de afgelopen weken iets positiefs te melden valt, dan is het wel dat iedereen het er nu over eens is dat de Europese Gemeenschap dichter bij de mensen moet worden gebracht.

Hiertoe heeft de Britse regering een bijzondere Europese topconferentie belegd. Het Europese Parlement wilde niet achterblijven en zal over twee weken in een bijzondere zitting bijeenkomen in Straatsburg. Naar verwacht zullen Europese ministers daar komen uitleggen hoe ze hun omstreden streven naar "subsidiariteit' - het beginsel dat beslissingen op een zo laag mogelijk niveau dienen te worden genomen - kracht willen bij zetten, en bepleiten dat de nationale parlementen een grotere rol krijgen toebedeeld bij de inrichting van Europa. Het Europarlement zal zonder twijfel oproepen tot uitbreiding van zijn eigen bevoegdheden. En de Europese Commissie hoopt op haar beurt haar privileges te prolongeren.

Fris denkwerk is geboden, willen de paladijnen van Europa niet verzeild raken in de zoveelste dialoog tussen doven. De kritiek van het publiek op de EG richt zich voor een belangrijk deel op de anonieme bureaucraten in Brussel. Die kritiek kan de Europese Commissie in haar zak steken. Tot voor kort beschouwde ze haar afdeling voorlichting als niet meer dan het Siberië van haar organisatie en spraken haar leden zich nogal eens uit met minder dan de vereiste tact.

Toch is veel van de kritiek op de Commissie aan het verkeerde adres gericht. Beslissingen in de EG worden in de regel niet genomen door EG-bureaucraten, maar door ministers van de lidstaten. Dat de EG zo ver weg en zo ontoegankelijk lijkt, komt zelfs grotendeels doordat de EG-Ministerraad zich gedraagt als een negentiende eeuwse monarch: besluiten worden dikwijls in het geheim genomen - veelal door nationale ambtenaren, terwijl de ministers alleen een rubber stempeltje hanteren.

Om de EG dichter bij de mensen te brengen zijn er drastische maatregelen nodig. In de eerste plaats moet de Raad erin toestemmen om in het openbaar te vergaderen, net als het Europese Parlement. Parlement en Raad zijn tenslotte mede-wetgevers geworden. Dat het parlement in het openbaar vergadert en de Raad achter gesloten deuren, is dan ook verwerpelijk.

Ten tweede moet de macht van de nationale bureaucratieën aan banden worden gelegd en moeten de schimmige beleidscommissies waarin ze hun beslissingen nemen worden afgeschaft. Het is onaanvaardbaar dat, terwijl de 21ste eeuw voor de deur staat, nog steeds ambtenaren zonder verantwoordingsplicht beslissingen nemen waaraan onze burgers wettelijk gebonden zijn. Geen enkele andere maatregel zou Europa's topzware bureaucratie zo sterk reduceren.

Behalve de Raad komen ook andere EG-instellingen in aanmerking voor reorganisatie.

Het Europese Hof van Justitie moet in staat worden gesteld sneller en slagvaardiger op te treden. De huidige achterstand in de behandeling van zaken ondermijnt het gezag van het Hof en verzwakt de legitimiteit van de EG-besluitvorming. Een manier om dit doel te bereiken is de thans beperkte bevoegdheid van het Hof van Eerste Aanleg uit te breiden tot, bijvoorbeeld anti-afvaldumpingzaken.

De Gemeenschap dient een wet op de vrijheid van informatie aan te nemen, die de openbaarheid van informatie in het bezit van Gemeenschaps-instellingen garandeert. Daarnaast moet zo'n wet de Commissie verplichten duidelijke procedures vast te stellen voor het overleg met zakelijke en andere belangengroepen op wie specifieke wetgeving betrekking heeft.

De voorlichtingsdiensten van Commissie en Parlement moeten worden overgeheveld van EG-ambtenaren naar onafhankelijke, professionele bureaus, die beter in staat zijn om nut en consequenties van EG-besluiten aan het publiek duidelijk te maken.

Het Parlement moet een gedragscode over het lobbyen afspreken, waarbij lobbyende partijen maar ook de Europarlementariërs worden verplicht helderheid te verschaffen over de belangen waarvoor ze staan, terwijl de toegankelijkheid van de parlementariërs voor privépersonen en belangengroepen zo ruim mogelijk blijft.

De gewenste aansprakelijkheid van de EG tegenover de bevolking vereist twee besluiten. Het Europese Parlement, dat 518 nationaal gekozen leden telt, moet de uiteindelijke zeggenschap over wetgeving krijgen. Bovendien moet het parlement de hand op de knip kunnen houden en beslissend gezag krijgen over alle bestedingen en inkomsten van de EG.

Voor die wijzigingen zijn echter veranderingen nodig die vermoedelijk niet vóór een intergouvernementele conferentie in 1996 zullen worden aangebracht. De nationale volksvertegenwoordigingen en het Europarlement moeten zich samen op die conferentie voorbereiden.

Intussen moet ook de dagelijkse samenwerking tussen beide worden verbeterd. Zo zullen zowel het akkoord over de Europese Economische Zone (tussen EG en EVA) en de associatieverdragen met Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije door zowel het Europarlement als de nationale parlementen moeten worden ondertekend. Voorafgaand overleg tussen Europarlement en nationale parlementen zou een belangrijke versterking kunnen betekenen van de rol die de EG in aangrenzende landen speelt.

Als de lidstaten serieus van plan zijn Europa dichter bij de mensen te brengen, dan moeten ze het Parlement zelf laten beslissen waar het wil werken in plaats van het naar Straatsburg te verbannen. De Raad kan moeilijk enerzijds zijn steun belijden aan meer democratische controle en anderzijds het meest democratische lichaam van de EG buiten het machtscentrum houden.

De topconferentie in Birmingham, later deze maand, zal enkele van deze kwesties behandelen, met de nadruk op een verbeterde naleving van het subsidiariteitsbeginsel binnen de EG. Het zou uiteraard onlogisch zijn wanneer de EG zou besluiten tot een procedure voor de subsidiariteit die in feite het democratisch tekort nog zou vergroten. Toch is dat precies wat er te gebeuren staat.

Krachtens het EG-regelement heeft de Commissie het recht wetsvoorstellen te doen. De EG-ministers willen nu dat recht beknotten om de lidstaten te laten beslissen of de Commissie wetsvoorstellen mag doen.

Behalve dat zo'n besluit onwettig zou zijn krachtens het Verdrag van Rome, zou het zowel Commissie als Europarlement muilkorven. Wanneer de raad een wetsvoorstel kan afwijzen nog voordat het is gepresenteerd, zoals het ontwerpbesluit wil, dan zou het Parlement er niet eens naar kunnen kijken, laat staan het amenderen of verwerpen. Het moeizaam bevochten recht op medebeslissing over wetgeving zou een wassen neus blijven.

Er is duidelijk behoefte aan een andere aanpak. In plaats van te wachten tot de lidstaten de Commissie kortwieken, zou zij zelf het initiatief moeten nemen. Allereerst zou ze moeten aankondigen dat ze in het vervolg bij elk van haar wetsontwerpen een subsidiariteitsverklaring zal voegen. In zo'n fiche de subsidiarité zal de Commissie zich voor bedoelingen, strekking en gedaante (bijvoorbeeld richtlijn, aanbeveling) van het wetsontwerp verantwoorden in het licht van de subsidiariteit.

Vervolgens moet de Commissie beloven dat zij op het gebied van cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en sociale zekerheid geen wetgeving zal voorstellen tot na de evaluatie van het verdrag van Maastricht in 1996. Door zo'n verklaring houdt de Commissie de handen vrij om samenwerking tussen lidstaten te entameren (en zo nodig te helpen financieren). Maar tegelijkertijd zal de vrees voor de almacht van de EG-bureaucratie goeddeels worden weggenomen.

Ten slotte moet de Commissie haar voornemen uitspreken met meer algemene richtlijnen te gaan werken. Met andere woorden: het wordt tijd dat Brussel terugkeert tot het oorspronkelijke concept van een EG-richtlijn als de formulering van een doelstelling die de lidstaten de vrijheid laat om die naar eigen inzicht te verwezenlijken. Op gebieden zoals bescherming van de consument en milieuwetgeving valt er veel te zeggen voor minder strikte EG-regels.

Hoe meer vrijheid er aan de lidstaten wordt gelaten, hoe belangrijker de rol van de nationale parlementen bij de uitvoering van EG-wetgeving kan worden. Dat zou een goede manier zijn om de nationale parlementen meer bij Europa te betrekken; en daarbij is het één van de weinige manieren waarbij de bevoegdheden van de EG-volksvertegenwoordiging, het Europarlement, ongemoeid zouden blijven.