John Korporaal eregast op filmfestival

Dertig jaar geleden regisseerde John Korporaal twee Nederlandse speelfilms, maar zijn standplaats was en bleef Mexico. Ter gelegenheid van het Mexicaans filmfestival in Rotterdam en Amsterdam is hij nu even terug. Op twee zondagmiddagen worden ook zijn Nederlandse films vertoond.

Openbare interviews met John Korporaal en vertoning van zijn Nederlandse films: 11/10 in Lantaren/Het Venster, Rotterdam (13u30) en 18/10 in het Nederlands Filmmuseum, Amsterdam (13u). 'El brazo fuerte' draait op 14/10 in Rotterdam (19u30) en op 24/10 in Amsterdam (21u30).

Hij komt nog maar zelden in Nederland. De reis is duur, hij kende hier hoe langer hoe minder mensen en hij had nu eenmaal zijn werk in Mexico. Maar nu de organisatoren van het filmfestival Que viva México hem vroegen hun eregast te zijn, ging John Korporaal (70) graag op die uitnodiging in. Hij heeft intussen zijn broer, zijn zuster en een paar overgebleven vrienden weer de hand kunnen schudden. En zondagmiddag hoopt hij in Lantaren/Het Venster in Rotterdam zijn twee Nederlandse speelfilms terug te zien: Rififi in Amsterdam (1962) en De vergeten medeminnaar (1963). “Ik heb er thuis geen kopieën van,” zegt hij, “dus ik kijk ernaar uit. Ik was destijds niet ontevreden. Nee, ook niet helemaal tevreden, maar dat is een menselijke eigenschap: niemand is toch ooit helemaal tevreden met wat hij heeft gemaakt?”

Vlak na de oorlog bood de Nederlandse filmindustrie weinig perspectieven voor een ambitieuze jongeman. Korporaal vertrok in 1951 naar de befaamde filmschool van Rome, waar hij onder meer assisteerde bij De Sica's Fietsendieven, en nam daarna een documentaire-opdracht voor het Marshall Plan aan, die hem samenbracht met Herman van der Horst. In 1955 kreeg hij de kans mee te werken aan een speelfilm tegen de achtergrond van een Mexicaans stierengevecht. Hoewel die film wegens financiële problemen onvoltooid bleef, besloot Korporaal - inmiddels getooid met zijn Italiaanse voornaam Giovanni - in Mexico te blijven. Hij werkte als cameraman en monteerde documentaires. Zijn debuut als regisseur volgde in 1958, toen een rijke particulier hem het budget gaf voor de plattelandssatire El brazo fuerte.

“Die film is in Mexico vijftien jaar in de doos blijven liggen, want het was een aanval op het systeem - weliswaar via een poëtisch verhaal over een dorp, maar iedereen begreep dat het over dictatuur en kapitalisme ging.” El brazo fuerte draaide wel in Cannes en bracht filmproducent Joop Landré (de latere TROS-oprichter) op het idee om die talentvolle Nederlander te vragen voor de verfilming van een Amsterdamse politieroman. Rififi in Amsterdam werd dat, met Johan Kaart als inspecteur en jonge acteurs als Maxim Hamel, Rijk de Gooyer en Ton van Duinhoven in de penoze-rollen. Korporaal had nog nooit van hen gehoord en heeft nu moeite zich hun namen te herinneren. Het resultaat werd met gemengde gevoelens ontvangen. “Maar Landré is kennelijk uit de kosten gekomen, want ik kreeg een tweede kans van hem. Dat was in die tijd een hele eer, om een tweede film te mogen maken.” De psycho-thriller De vergeten medeminnaar, naar een roman van Rico Bulthuis, lag meer in zijn eigen lijn. Niet slecht, vond de kritiek, en in elk geval veelbelovend.

Daarna ging Korporaal terug naar Mexico: “Ik was hier in totaal drie jaar geweest en mijn vrouw, die Mexicaanse is, verlangde naar huis. Ze verpieterde en werd ziek. Sindsdien heb ik uit de Nederlandse filmwereld nooit meer wat gehoord.” Hij maakte, als cameraman, cutter en/of regisseur, tientallen tv-documentaires, reclamespots, opdrachtfilms en nog één speelfilm, een Mexicaanse western die nooit in Europa te zien is geweest. Voor zijn andere speelfilmideeën vond hij nimmer een willige producent. Ook geen Nederlandse: “Ik zou wel willen dat ik hier een producent kende. Maar helaas.”

Het is hem, zegt hij, evenmin gelukt de aartsvader van de Mexicaanse cinema te worden, ondanks het feit dat El brazo fuerte er een klassieker is geworden: “Ach nee, dat is zo'n gesloten kliekje. Het is ook in Mexico moeilijk een film van de grond te krijgen. Ik loop nog steeds met een stuk of vier projecten rond, maar ik vrees dat ik er nogal cynisch over ben geworden. Misschien kom ik hier nog een producent tegen.”

    • Henk van Gelder