"Ik was altijd al een buitenbeentje die z'n horizon wilde verruimen'

Voor de hoogste gage ooit in Nederland betaald bokst REGILIO TUUR begin december in Rotterdam om de Europese titel in het supervedergewicht tegen Jacobin Yoma. Het zorgvuldig opgebouwde begeleidingsteam rond Tuur ziet in de 25-jarige bokser een potentiële wereldkampioen.

Het is nog maar twee jaar geleden dat Bill Bikoff, de Amerikaanse manager van Regilio Tuur, een Europese titel voor zijn voornamelijk vanuit de Verenigde Staten opererende bokser verspilde tijd noemde. Als voormalig amateurbokser bij de Navy op de Filippijnen weet de 77 partijen overeind gebleven zestiger Bikoff dat een prof die het beste uit zijn carrière wil halen en zich wil vrijwaren van ernstige blessures niet meer dan veertig partijen moet boksen. Tuur heeft er daar inmiddels al 33 van achter de rug, hoewel hij de meeste wedstrijden zo snel heeft gewonnen dat hij na een paar minuten alweer onder de douche stond en daardoor zelden in een wedstrijd de volle tien ronden heeft gebokst.

Tuur heeft weliswaar een indrukwekkende staat van dienst opgebouwd, 30 duels gewonnen (22 knock-outs), één onbeslist en slechts twee omstreden op punten besliste verliespartijen, maar zijn nederlaag op 27 maart in New York tegen Calvin Grove kostte Tuur wel de titel van de New York State en wierp hem weer enkele plaatsen terug op de uitdagerslijst van de World Boxing Council (WBC). Bikoff gaat er van uit dat wanneer Tuur om de wereldtitel gaat boksen zijn kostje echt is gekocht. Een uitdager kan zo'n 275.000 dollar verdienen en een titel verdedig je drie à vier keer. Als alles lukt schat Bikoff dat Tuur twee, drie miljoen dollar op zijn bankrekening heeft staan. Maar medische rapporten hebben volgens Bikoff, die met metaalconstructiebedrijven zijn vermogen heeft verdiend, aangetoond dat 35 à 40 partijen voor een prof als uiterste grens moeten worden gezien om wat medisch letsel betreft buiten de gevarenzone te blijven.

Op die manier beschouwd ligt Tuur in feite achter op schema. Hoewel de voormalige bokser uit de sportschool van Jan Schildkamp in Hoogvliet heel zuinig op zijn lichaam is, zelden het uiterste wat hij in een wedstrijd fysiek aankan hoeft te incasseren en derhalve het tegendeel beweert. “We liggen nog precies op schema”, veegt Tuur de hem bekende theorie van Bikoff van tafel. “Bikoff wist enkele jaren geleden ook niet helemaal precies hoe alles in Europa werkte. Maar hij is hier inmiddels enkele keren geweest, heeft kunnen zien hoe professioneel en perfect de zaken hier worden georganiseerd en is met mij tot de conclusie gekomen dat het grote voordeel in Europa is dat er in het boksen maar één officiële ranglijst is.”

Als je zo'n titel op zak hebt dan ben je volgens Tuur iemand. “Zelfs in de Verenigde Staten waar je vier boksbonden hebt die elkaar in de wielen rijden. Een Europese titel betekent voor mij dat ik weer wat stijg op de uitdagerslijst. Weer een stapje dichter bij de wereldtitel kom. Want een kampioen als Azura Nelson of een bokser als Gaby Ruelez, nummer één op de uitdagerslijst, worden er beslist niet wijzer van om tegen Regilio Tuur te boksen. Die jongens kunnen daar alleen maar status en geld mee verliezen. Aan de voorbereiding van een titelgevecht zit daarom een hoop werk vast. Je moet de juiste mensen kennen in dit wereldje. Zeker in de Verenigde Staten. Het is allemaal één grote lobby. Bikoff kent dat circuit precies.”

Sportpaleis Ahoy' in Rotterdam vormt de lokatie voor het gevecht van Tuur tegen de uit Frans Guyana afkomstige Yoma, waarschijnlijk op 3 december. Het bureau Topsport Marketing heeft de slag gewonnen van enkele Franse bokspromotors die ook een bod hadden uitgebracht op het gevecht. Namens TSM maakt promotor Peter Bonthuis duidelijk dat het om de hoogste gage gaat die een Nederlandse bokser ooit voor een titelgevecht heeft gekregen. Tien jaar geleden werd Koopmans-Blanchard voor 165.000 gulden georganiseerd, met Tuur-Yoma is een bedrag van 368.000 Zwitserse francs gemoeid, omgerekend ongeveer 465.000 gulden, waarvan de helft voor Tuur is bestemd. Wel moeten er nog sponsors voor de wedstrijd worden gevonden maar dat acht Bonthuis geen onoverkomenlijk probleem. De Europese titel in het super junior leight weight, zoals Tuur zelf zijn gewichtsklasse liever omschrijft, is vacant sinds de Deen Jimmy Bredahl zich onlangs ten koste van Daniel Londas van de WBO-wereldtitel verzekerde.

Tuur voelt zich topfit, werkt met zijn vriend en sparringpartner Kevin Kelly, die hem vier jaar geleden in de square jungle van New York wegwijs heeft gemaakt, wel vier uur per dag aan techniek en conditie, waarbij het duo wordt getraind door Phil Borgia en zijn assistent Hector Roca. Met Bikoff vormen zij allen het technisch management rond Tuur, die in Nederland met Peter Blommaert het bedrijfje Tublo heeft opgericht waarin de jeugdvrienden een aantal zakelijke joint-ventures hebben ondergebracht die zij in de toekomst samen verder willen uitbouwen. Blommaert beheert het commerciële management rond Tuur, die zegt nog geen seconde spijt te hebben gehad van de overstap naar de Verenigde Staten.

Vlak na de Olympische Spelen in 1988 in Seoul trad Bikoff in contact met Tuur. “Call me collect als je prof wilt worden”, was de simpele maar indringende boodschap die de Amerikaan op het antwoordapparaat insprak nadat Tuur in Seoul Kelcie Banks knock-out had geslagen. Bikoff werkte op dat moment al met de neo-prof Kevin Kelly, heeft ooit nog eens overwogen ook Arnold Vanderlijde te contracteren, maar vindt dat zijn boksteam met de toevoeging van Tuur eigenlijk groot genoeg is om de zaken overzichtelijk te kunnen houden. Want het managen van boksers is een drukke aangelegenheid.

“Na Seoul konden we wel uit drie, vier aanbiedingen kiezen”, herinnert Tuur zich. De bokser is voor wat promotie-activiteiten voor een jeans-merk een weekje in Nederland, wordt in het Rotterdamse Hilton-hotel van de portier tot de manager enthousiast begroet en zegt bedachtzaam aan zijn mineraalwater nippend: “Ik ben altijd al een buitenbeentje geweest. Voordat ik in Seoul furore maakte heb ik met Vanderlijde twee maanden door het oosten van Europa getoerd. Voor de val van het communisme. Toen had ik al een sterke drang mijn horizon te verbreden, nieuwe dingen te leren die me in mijn boksloopbaan op weg zouden kunnen helpen. En Oost-Europa had toen een sportsysteem waar voor een bokser heel wat te leren viel. De Verenigde Staten waren wat dat betreft na Seoul een logisch vervolg. Ik heb die stap toch maar mooi durven nemen. Geen enkele andere Nederlander van mijn generatie heeft zoiets gedaan. Dat tekent het verschil denk ik. Ik ga mijn eigen weg. Weet je nog dat ze bij mijn vertrek riepen: hij houdt het geen zes maanden vol?'. Tuur glimlacht spottend. “Nou dat is dus allemaal iets anders verlopen. En het avontuur is nog steeds niet afgelopen.”

Niettemin meent Tuur dat zijn successen in Seoul een voorbeeldfunctie voor het Nederlandse boksen hebben gehad. “Er is nog nooit zo'n grote Nederlandse boksploeg naar de Olympische Spelen afgevaardigd als dit jaar naar Barcelona”. In Barcelona behaalde Vanderlijde een bronzen- en Delibas zelfs een zilveren medaille. Maar you've got to put your mouth where the soup is zegt Tuur over zijn eigen boksontwikkeling die pas in de Verenigde Staten tot volle ontplooiing is gekomen. In Amerika let hij nauwkeurig op zijn gewicht. De weegschaal geeft voor zijn partijen altijd precies 59,6 kilo aan, 130 Amerikaanse ponden.

“Bokstechnisch heb ik zoveel in Amerika geleerd”, schetst Tuur zijn ontwikkeling. “Mijn linkse directe, rechtse directe, zijn zoveel vlijmscherper en harder geworden. Maar ook het ontwijken, de tegenstander tijdens het gevecht laten missen, zijn technieken die ik in Europa nooit zo goed had kunnen leren als in Amerika. Er is daar veel meer kennis over de bokssport dan elders. Het heeft natuurlijk ook met de structuur van de hele maatschappij daar te maken. Alleen de allerbesten overleven, een goede leerschool”, meent Tuur die nog steeds woont in Queens in New York.

Tevreden is Tuur ook dat zijn Europese titelgevecht in Nederland wordt gehouden en niet in Frankrijk of zelfs Frans Guyana. “Als ik in Guyana had moeten boksen had ik dat ook gedaan. Dan had ik het verstand op nul gezet en professioneel dat karwei afgehandeld. Hoewel je weet dat wanneer je thuis bokst er een hoop mensen achter je staan. Als ik in Guyana had gebokst en ik had hem vier, vijf keer geraakt, dan hoor je niets. Raakt-ie jou een keer dan breekt er in zo'n tropisch land, waar de sentimenten toch al licht ontvlambaar zijn, een kabaal los. Juryleden kunnen daar onbewust door worden beïnvloed. Tenslotte heb ik twee jaar geleden in New York al eens een gevecht tegen Yoma gehad dat in onbeslist eindigde. Ook toen had ik het gevoel in ieder geval op punten te hebben gewonnen. Dat bleek dus anders. Daarom boks ik liever in Nederland. Want ik neem met dit gevecht toch een zeker risico. Verlies ik, dan moet ik weer helemaal opnieuw beginnen.”