DE LES VAN PAASEILAND

Een groene geschiedenis van de wereld door Clive Ponting 469 blz., Amber 1992, (A Green History of the World, 1991), vertaling R. van de Weijer en S. Wagenaar, f 49,90 ISBN 90 5093 158 8

De gemiddelde toerist in Griekenland, die op het vliegveld zijn culturele reisgids doorbladert, stuit wellicht op de mededeling dat de witte beelden die hij straks op de Acropolis en te Delphi zal bekijken, er in de antieke tijden heel anders uitgezien hebben. Veel standbeelden moeten indertijd met felle kleuren beschilderd zijn geweest. Een tegenvaller voor de classici die in het zuivere marmer graag het begin van de Westerse beschaving hadden gezien. Het wit is pas later door verwering ontstaan.

Wat de culturele reisgidsen meestal niet vermelden, is dat Griekenland in de klassieke tijd met veel meer bossen bedekt is geweest dan nu. Kunstkenners hebben daar meestal weinig belangstelling voor. De bossen, die vroeger te vinden waren op vrijwel alle eilanden en schiereilanden, zijn door menselijk toedoen vrijwel geheel verdwenen. Wat thans nog rest, zijn de ontoegankelijke bergwouden in het noorden, op de grens met Bulgarije.

Verder is Griekenland nu, net als het grootste deel van de landen rond de Middellandse Zee, kaalgekapt, kaalgegraasd en geërodeerd, een stenig eilandenrijkje met ezels en geiten die de laatste restjes groen wegvreten, en een overheid die wanhopig het tij probeert te keren met herbebossingsprogramma's.

Bij enig nadenken zal ook de cultureel geïnteresseerde wel inzien dat het oude Griekenland er vroeger anders uitgezien moet hebben. De relatieve welvaart van de oude Grieken was in ieder geval ten dele gebaseerd op handel en zeevaart. En voor het bouwen van schepen was een rijk aanbod van hout noodzakelijk. Zonder hout geen zeevaart en zonder bossen geen hout - zo simpel heeft het altijd gelegen. Pas in de zeventiende eeuw haalden de Hollanders het hout voor hun scheepsbouw van overzee.

STENIGE TOESTAND

De aftakeling van Griekenland van een land met bossen en vrij wat landbouwgronden, tot de stenige toestand van nu is en geleidelijk proces geweest. Het wegspoelen van de grond van een rijke akker gaat langzaam, zoiets wordt door een enkele generatie meestal niet opgemerkt. Toch zijn daar pregnante uitzonderingen op, zoals rond 1900 toen de sterke groei van de bevolking tot enorme overbegrazing leidde, en zoals wellicht ook de klassieke tijd, toen de snelle expansie ook grote gevolgen gehad heeft voor het landschap.

Plato schrijft in zijn Critias over het Griekse land: ""Wat er nu is overgebleven, is vergeleken bij hoe het vroeger was als het geraamte van een ziek lichaam, omdat de vruchtbare en vette aarde overal afgebrokkeld is. [...] Er zijn namelijk bergen die nu alleen nog maar voedsel voor bijen leveren, maar waarop nog niet zo lang geleden bomen werden geveld. [...] Er waren vele hoge vruchtbomen en het land leverde overvloedig voedsel voor de kudden. Ook werd het land verrijkt door het water dat als regen uit de hemel viel en dat niet verloren ging, zoals nu gebeurt doordat het van de kale grond in zee vloeit. Daar er toen veel grond was om het water op te nemen en de klei in staat was het vast te houden en op te slaan, kon het water alle plaatsen rijkelijk van bronnen en stromen voorzien. Nu nog getuigen de heiligdommen die bewaard zijn gebleven op de plaatsen waar vroeger bronnen waren, van de waarheid van deze mythe.''

Plato schrijft hier over de heiligdommen van oudere Griekse beschavingen, van volken die het land aantroffen in zijn beboste en ongeërodeerde toestand, en in zijn mythologische opvatting van dat verleden schetst hij wellicht een overdreven beeld. Maar ook de Griekse politici waren zich van het praktische gevaar van slecht landschapsbeheer bewust. De Atheense hervormer Solon betoogde rond het jaar 590 voor Christus dat akkerbouw op de hellingen verboden moest worden, omdat er zoveel aarde van de bodem verloren ging. Enkele tientallen jaren later stelde de Atheense tiran Pisistratus een premie in het vooruitzicht voor boeren die olijfbomen aanplanten, de enige boom die op de sterk geërodeerde grond wilde groeien.

OP WERELDSCHAAL

Het citaat van Plato en de maatregelen in Athene staan vermeld in Een groene geschiedenis van de wereld, de recente Nederlandse vertaling van A Green History of the World van Clive Ponting dat vorig jaar verscheen. Het is een boek waarin op wereldschaal een overzicht gegeven wordt van de veranderingen in het landschap door de invloed van de mens en omgekeerd: wat die verandering voor de menselijke cultuur betekende.

Wat Griekenland betreft, is die verandering wat Ponting betreft duidelijk - de Grieken verloren hun vooraanstaande positie in het Middellandse-Zeegebied door gebrek aan hout en landbouwgronden. Hoewel dit een simplificatie is, valt niet te ontkennen dat Griekenland nu een tweederangs natie is, en dat voorlopig ook wel zal blijven. De toeristen-industrie die nu de stranden en eilanden afstroopt op mooie plekjes om er hotels, autowegen en vliegvelden aan te leggen, brengt wel wat oppervlakkige welvaart, maar heeft de neiging zijn eigen kinderen op te eten: als het mooie ervan af is, blijven de kapitaalkrachtige reizigers weg om plaats te maken voor goedkope charters met weektoeristen waaraan nauwelijks een stuiver te verdienen valt.

De ecologische ramp in Griekenland - want zo mogen we de verandering wel noemen - is slechts één greep uit het aangrijpend overzicht dat Ponting in zijn boek samenstelt. Vrijwel overal op de wereld waar de mens verschijnt, is sprake van een onomkeerbaar proces.

Eerst zijn er de jagers en verzamelaars die betrekkelijk weinig kwaad doen, aldus Ponting. Nu ja, de maori's op Nieuwe Zeeland hebben weliswaar de endemische fauna voor de helft uitgeroeid, de Aboriginals deden dat tienduizend jaar eerder in Australië, de indianen maakten een eind aan de grote zoogdieren in Noord-Amerika en de vroege Europeanen maakten weliswaar een eind aan de oeros, wolharige neushoorn en mammoet, maar verder lieten deze jager-verzamelaars het landschap grotendeels intact.

IDYLLISCH

De opsomming van wat de jagerverzamelaars aanrichtten, is van mij, want Ponting schrijft nogal idyllisch over hun bestaan. Hij gelooft dat deze volken leefden in een wereld van betrekkelijke overvloed met een zee aan vrije tijd. De hongersnoden en het eeuwige geploeter zouden pas gekomen zijn toen de mens aan landbouw ging doen. Dat beeld wordt in een bespreking van dit boek door Lucas Reijnders overgenomen in Vrij Nederland (19 sept.) onder de ludieke kop ""Vroeger hadden we het beter''.

Dit idee lijkt me nogal naïef. In overvloedige jaren zal de jager-verzamelaar het zeker gemakkelijk gehad hebben, net zoals de grote Afrikaanse hoefdieren en hun predatoren dat hebben na een aantal regenrijke seizoenen in de Serengeti. Maar wat gebeurt er in de slechte jaren? De informatie die we hebben van volkeren die nog steeds jagend leven, spreekt boekdelen. De Eskimo-familie uit de zestiende eeuw die onlangs in Noord-Canada geheel ingevroren werd gevonden, had zware roetlongen, het gevolg van langdurig verblijf in rokerige hutjes. De volwassenen hadden slecht geheelde botbreuken en aan de beenderen van een van de oudere vrouwen was te zien dat zij een langdurige periode van ondervoeding had meegemaakt.

Hetzelfde geldt voor de skeletten van de vroege Europeanen: vooral de Neanderthalers moesten vaak doorlopen met botbreuken die slecht heelden, ondanks het feit dat zij veel robuuster gebouwd waren dan hun opvolgers, de moderne mensen waarvan wij afstammen.

Volgens Ponting nam de mens zodanig in aantal toe dat hij gedwongen werd over te gaan op landbouw, waarbij hij het zwoegen op de akker en de hongersnoden na slechte oogst voor lief moest nemen. Maar Ponting laat zich hier kennen als een goedgelovige volgeling van Rousseau die denkt dat het in de natuur alles mooi en prachtig is. Het is natuurlijk omgekeerd: juist de landbouw gaf de mens de bestaanszekerheid die hem in staat stelde in aantal toe te nemen. Inderdaad, er zullen af en toe misoogsten geweest zijn met hongersnoden, maar deze rampen zinken in het niet bij de constante strijd om het bestaan van de jager-verzamelaar.

Met deze constateringen zou de bodem weggeslagen zijn onder een wetenschappelijk boek en zouden we een verdere bespreking kunnen staken. Maar bij Een groene geschiedenis van de aarde is dit niet het geval. Pontings boek is een aaneenschakeling van anekdoten, die weliswaar niet wetenschappelijk verantwoord, maar toch heel lezenswaardig bijeen gebracht zijn. Hij legt, daarin is hij eerlijk, ook geen wetenschappelijke verantwoording af. Noten of bronvermeldingen van zijn gegevens zijn er niet. Achterin het boek staat een uitgebreide lijst van boeken, schrijft hij in zijn voorwoord, waaruit hij zijn wijsheden geput heeft - ""al dan niet'' had hij er beter aan kunnen toevoegen, want Pontings visie is vaak in strijd met deze boeken.

PAASEILAND

Ponting opent het boek met het mooiste voorbeeld: Paaseiland. De regelmatige televisiekijker moet al heel vreemd geschakeld hebben als hij de afgelopen jaren niet ooit in een documentaire was beland over dit vreemde Zuidzee-eiland met zijn metershoge stenen beelden, smalle mannenkoppen met lege, starende ogen. Er staan op Paaseiland zo'n zeshonderd van deze koppen, verspreid over het eiland, op aanzienlijke afstand van de steengroeve waaruit ze afkomstig zijn. De vraag die al onmiddellijk bij de achttiende-eeuwse zeevaarders opkwam was hoe de armzalige bevolking van Paaseiland die beelden heeft kunnen maken en ze zover heeft kunnen verplaatsen.

Ponting geeft een aannemelijke verklaring voor de beelden. Hoewel hij naar mijn oordeel nogal in detail treedt en iets te stellig formuleert, lijkt zijn verhaal in grote lijnen juist. Het komt op het volgende neer.

De Polynesiërs die in de vijfde eeuw na Christus met hun zeekano's Paaseiland bereikten, troffen dichte bossen aan. Het eiland was vulkanisch van oorsprong en de aarde was vruchtbaar. Ze importeerden hun eigen gewassen zoals zoete aardappelen. Voor kokosnoot en broodboom was het klimaat te streng.

De Polynesiërs bleven trouw aan hun oorspronkelijke organisatievorm. Op het eiland ontstond al gauw een groot aantal clans, die aanvankelijk vriendschappelijk met elkaar omgingen, maar later toen er gebrek aan ruimte kwam, meer rivaliserend optraden. Na een aanvankelijke vogelcultus speelde het oprichten van grote stenen koppen een belangrijke rol in deze rivaliteit. Bij gebrek aan trekdieren werden de beelden met behulp van rollende boomstammen vervoerd. ""Dat moet'', aldus Ponting, ""reusachtige hoeveelheden hout hebben gekost en dat in toenemende mate, omdat de wedijver tussen de clans om beelden op te richten ook toenam. Het gevolg was dat het eiland tegen 1600 bijna volledig ontbost was en de beeldenproduktie stilviel; vele waren niet verder gekomen dan de steengroeve.''

Door de ontbossing spoelde ook het vruchtbare laagje aarde in zee. Wat overbleef, waren kale bergen. Alleen bij de kratermeren was nog water.

Ponting vervolgt: ""De ontbossing van het eiland luidde niet alleen de doodsklok voor het uitgebreide sociale en ceremoniële leven, ze had ook ingrijpend effect op het dagelijks leven van de gehele bevolking. Vanaf 1500 dwong de bomenschaarste velen af te zien van het bouwen van houten huizen en in grotten te gaan leven, en toen er ten slotte helemaal geen hout meer was, ongeveer een eeuw later, moest men zich behelpen met wat er nog wel was: men hakte een hol in de rotshellingen of bouwde kwetsbare hutten van de vegetatie rond de kratermeren. Kano's konden niet meer worden gemaakt, alleen rieten bootjes die niet geschikt waren voor lange tochten.''

KANNIBALISME

De Paaseilanders waren gevangen op hun eigen eiland. De bevolking van zevenduizend man nam onder deze armoedige omstandigheden snel af. Toen de Nederlander Roggeveen het eiland in 1722 ontdekte, waren er nog maar drieduizend mensen over, die in ellendige omstandigheden verkeerden. Kannibalisme was geen uitzondering.

Daarna verslechterden de omstandigheden nog verder. In 1877 haalde de Peruanen alle bewoners weg op wat oude mensen na. Uiteindelijk werd het eiland overgenomen door Chili, dat er een schapenhouderij van maakte. Er bleef slechts een klein dorpje over.

De Paaseilanders als gevangenen op hun eigen eiland, niet bij machte nog iets aan hun ellendig lot te veranderen. De symboliek ligt er duimendik bovenop - het is niet alleen de geschiedenis van Paaseiland, maar de geschiedenis van de aarde die we lezen. Bodemgebruik, bevolkingsgroei, cultussen, rivaliteit, overbevolking, bodemerosie, verpaupering en ten slotte kannibalisme.

Ponting geeft ook enkele voorbeelden van landbouwculturen die wèl lange tijd stabiel zijn gebleven, zoals het Egyptische rijk en de landbouwculturen in de Nijldelta die tot in deze eeuw in evenwicht met hun hulpbronnen leefden. Daar is, zoals bekend, met de bouw van de Assoeandam een einde aan gekomen. Het vruchtbare Nijlslib van eertijds is vervangen door kunstmest, een uitputbare hulpbron die op den duur de bodem verarmt.

Een mooi hoofdstuk in Pontings boek is gewijd aan de ziekten van de mens. Door de overgang van jacht op landbouw ontstonden geleidelijk aan nieuwe ziekten, infectieziekten die behoorden bij organismen die dicht op elkaar op eenzelfde plaats leefden. Veel van deze ziekten zijn van oorsprong landbouwdierziekten, met parasieten, bacteriën en virussen die zich langzamerhand aan de mens aanpasten. In zekere zin vormen deze nieuwe ziekten de belangrijkste verrijking die de mens aan de natuur toevoegde.

STUIFMEELANALYSES

Een groene geschiedenis van de aarde is bedoeld als een geschiedenisboek van de mensheid, maar het is een vreemd geschiedenisboek. Niet alleen omdat het vooral over het milieu gaat, maar door de thematische indeling. Het verhaal is niet chronologisch van opzet en de hoofdstukken zijn ook niet aan een bepaald gebied gewijd. Dat maakt dat de lezer van de ene anekdote in de andere tuimelt en na enige tijd ieder houvast is kwijtgeraakt. Een boek dus om te lezen in de trein of voor het slapengaan.

Toch is Pontings werk wel een stap in de goede richting. Graag zou ik soortgelijke boeken lezen maar over beperkter onderwerpen: de ontbossing van Schotland en Ierland bijvoorbeeld (waarover Ponting met geen woord schrijft). Of over de neergang van de culturen rond de Middellandse Zee, goed gedocumenteerd met stuifmeelanalyses van historische flora's, met schattingen van het inwoneraantal en de hoeveelheid vee, met de rol van een veranderend klimaat (nagenoeg onbesproken door Ponting), met botresten van huisdieren en wilde dieren, het soort landbouw dat bedreven werd.

In de geschiedwetenschap hebben al heel wat nieuwe benaderingen elkaar opgevolgd. Krijgswetenschap, sociale geschiedenis, economische geschiedenis, cultuurgeschiedenis. De weg die Ponting aanwijst, is de geschiedenis van de mensheid geschreven door natuurwetenschappers.

    • Rob Biersma