DE KANDIDATEN WILLEN WEL TV, MAAR GEEN DEBAT

Televised Presidential Debates. Advocacy in Contemporary America door Susan A. Hellweg, Michael Pfau and Steven R. Brydon 168 blz., Praeger 1992, f 47,50 ISBN 0 275 93622 8

Zonder televisie-debat zou John F. Kennedy in 1960 zou niet tot president van de Verenigde Staten gekozen zijn, en dat geldt wellicht ook voor Jimmy Carter in 1976. De verpletterende verkiezingswinst van Ronald Reagan in 1980 was eveneens ondenkbaar geweest zonder tv-debat. In die verkiezingsjaren liet de omvangrijke groep twijfelende kiezers zich sterk benvloeden door de tv-debatten, en daardoor bleken deze van doorslaggevend belang voor de uitslag. Althans, dat schrijven de Amerikaanse communicatie-wetenschappers Susan Hellweg, Michael Pfau en Steven Brydon in hun aardige boekje Televised Presidential Debates. Advocacy in Contemporary America.

De traditie van de tv-debatten tussen de twee genomineerde kandidaten begon met de vier optredens van Kennedy en Nixon in 1960. Tijdens de daaropvolgende verkiezingen voelden Johnson en Nixon, vanwege hun comfortabele voorsprong in de opiniepeilingen, er niets voor om met hun tegenstanders in debat te treden. Het zou daarom tot 1976 duren voordat de draad weer werd opgepakt met de drie discussies tussen Carter en Ford. Sindsdien hebben er elke vier jaar telkens televisiedebatten plaatsgehad tussen presidentskandidaten, en zelfs ook tussen de kandidaten voor het vice-presidentschap. Inmiddels zijn de debatten, die soms meer dan 100 miljoen kijkers trekken, niet meer weg te denken in het opgefokte mediafestijn rondom de verkiezingen.

Overigens beklemtonen de auteurs dat de term "tv-debat' nogal overdreven is. Het is wel tv, maar geen debat. Door de tot nu toe gehanteerde gespreksformule is nog nooit van een "echt' debat sprake geweest zijn. De tv-optredens zijn veeleer streng geregisseerde persconferenties. Volgens een strikte vraag- en antwoordprocedure staan de kandidaten een zorgvuldig uitgekozen journalistenpanel te woord. Van tevoren zijn in soms wekenlange onderhandelingen tot in de kleinste details afspraken gemaakt over zaken als de gespreksonderwerpen, de cameravoering en beeldregie, de hoogte van het podium, de kleur van de controlelampjes die de spreektijd bewaken, de schminkfaciliteiten en de toegestane decibels van het applaus van de meegebrachte supporters.

SPONSOR

De afspraken in 1988 voor het "debat' tussen Bush en Dukakis gingen zelfs zover dat de League of Women Voters weigerde nog langer als sponsor van de uitzending op te treden. Het schrappen van de zogenaamde ""follow up question'' in de vraag- en antwoordprocedure gaf de doorslag. Het mocht de kandidaten vooral niet al te lastig gemaakt worden, en dat werd zelfs de gezagsgetrouwe Bond van Vrouwelijke Stemmers te gortig.

De Democratische en Republikeinse partij vonden een nieuwe sponsor in de gezamenlijk opgerichte "Commission on Presidential Debates'. Maar zelfs deze commissie deed dit jaar de aanbeveling het journalistenpanel te vervangen door één enkele gespreksleider, om zo wat ruimte te scheppen voor discussie. Clinton ging akkoord, Bush aanvankelijk niet. Pas na veel uitstel, onderhandelen en zelfs opbieden stemde de president in met twee van zulke debatten in een serie van drie.

Over het gehalte van de tv-debatten worden in dit boek harde noten gekraakt. De vragen zijn vaak ronduit onbenullig, en van hun kant lijken de kandidaten alleen hun best te doen geen flaters te begaan. De argumenten reiken zelden verder dan opgetuigde verkiezingsslogans, simpele anekdotes en van tevoren zorgvuldig gerepeteerde een-regelige "sound bites'.

Na afloop, zo blijkt telkens uit alle onderzoeken, kunnen maar weinig kijkers zich nog iets herinneren van wat er is gezegd. Hoogstens blijven de blunders en de zogenaamde "punch lines' nog wat in het geheugen hangen, maar dat alleen omdat deze daarna nog eindeloos op tv herhaald worden. Een representatief kijkersonderzoek in 1976 wees zelfs uit dat Fords stellige bewering dat Polen zich buiten de communistische invloedssfeer van de Sovjet-Unie bevond, volkomen onopgemerkt bij de kijkers was gepasseerd. Het besef dat er sprake was van een kapitale blunder kwam pas toen het achteraf in de media als zodanig werd genterpreteerd en het bewuste fragment nog zo'n honderdduizend keer werd uitgezonden. Als voorbeelden van veel herhaalde en dus effectieve voltreffers noemen de auteurs uiteraard het ""You're no Jack Kennedy'' van Bentsen in 1988 nadat Quayle zich met president Kennedy had vergeleken, en het ""There you go again'' van Reagan toen Carter in 1980 hem bij herhaling aanviel op zijn rechtse standpunten.

NON-VERBAAL

Als goede communicatiewetenschappers onderstrepen de auteurs dat het bij het medium televisie natuurlijk helemaal niet om de inhoud gaat. Alles draait om het beeld, en daarbij om de non-verbale overtuigingskracht van de kandidaten. Na het eerste fameuze debat tussen Kennedy en Nixon wezen de radioluisteraars Nixon aan als winnaar. De tv-kijkers oordeelden echter anders. Zij hadden een bleke en onaangename Nixon gezien die zo ongemakkelijk op zijn stoel zat dat hij er bijna vanaf leek te vallen.

De reden van Nixons onfortuinlijk optreden was dat hij na een knie-operatie ettelijke kilo's was afgevallen, een zware verkoudheid had opgelopen, vlak voor de uitzending zijn zere knie nog eens flink stootte, en dat hij het bovendien onmannelijk had gevonden om zich te laten schminken. Daarbij kwam nog eens dat Nixon vanwege zijn lichtgrijze kostuum in de grijze achtergrond van de studio scheen te zijn opgelost. Maar wat hem, volgens de auteurs, vooral parten had gespeeld, was zijn "oogcontactprobleem' met de camera. Bij voortduring hadden zijn ogen nerveus in de richting van Kennedy bewogen.

In 1976 scoorde Carter, aldus de auteurs, bijzonder hoog met zijn expressieve gelaatsuitdrukking, en dat vooral tijdens de korte ""reaction shots'' wanneer Ford aan het woord was. Vier jaar later bleek hij echter geen partij voor Reagan. Bij aanvang van hun enige debat (waarvan onafhankelijk kandidaat Anderson op aandringen van Carter was buitengesloten) liet Carter zich zichtbaar verrassen door de "hartelijk' uitgestoken hand van Reagan die als laatste het podium mocht bestijgen.

Carter lag vanwege de Iraanse gijzelaffaire ver achter in de opiniepeilingen, dacht daarom in de aanval te moeten gaan, maar kwam daardoor juist weinig "presidentieel' over. Zijn offensief liep volledig stuk op de vriendelijke grijns van de charmante Hollywood-acteur die met zijn ontwapende humor de kijkers in de huiskamer er moeiteloos van overtuigde dat hij allerminst de ""mad bomber'' was waarvoor de verkrampte Carter hem wilde slijten.

In 1984 was de verwachting dat de populaire Reagan zijn rivaal Mondale, die bekend stond als een uitgesproken fletse televisiepersoonlijkheid, volledig zou overspelen. Maar het eerste debat verliep voor Reagan bijna catastrofaal. Terwijl de voormalige vice-president van Carter met een van hem onverwachte gevatheid erin slaagde zich als een serieus alternatief te presenteren, zocht de ""great communicator'' naarstig naar woorden, verslikte zich in allerlei statistieken en gaf op een gegeven moment ook nog te kennen "confused' te zijn over de ingewikkelde vraag-antwoordprocedure. Daarmee dreigde plotseling zijn hoge leeftijd een prangende verkiezingskwestie te worden.

In het tweede debat was Reagan echter weer de oude. Met de zinsnede ""I am not going to exploit, for political purposes, my opponent's youth and experience'' wist hij de "seniliteits-factor' op hilarische wijze te neutraliseren. Het debakel van het eerste debat, zo vermoeden de auteurs, zou te wijten zijn geweest aan het feit dat Reagan zich tegen beter weten in teveel op de politieke inhoud had geconcentreerd, en door zijn bezorgde handlers was "overbriefed'.

Van de twee zowel verbaal als visueel uitermate vlakke debatten tussen Bush en Dukakis schijnen zelfs de auteurs zich nauwelijks nog iets te kunnen herinneren. Het enige wat zij melden, is dat Dukakis het algemene vermoeden bevestigde dat hij niet alleen een saaie maar ook nog een gevoelloze technocraat was. Op de hypothetische vraag of hij een eventuele verkrachter van zijn vrouw Kitty de doodstraf zou toewensen, hield Dukakis met een onbewogen gezicht een abstract geformuleerd pleidooi voor de rechtstaat.

In hun Televised Presidential Debates gaan Hellweg, Pfau en Brydon ook uitgebreid in op het "verwachtingenspel' dat aan de debatten voorafgaat. Daarbij pogen de kandidaten zich te manoeuvreren in een psychologisch voordelige "underdog'-positie om zo tijdens het tv-debat toch nog ieders verwachtingen te kunnen overtreffen. Zo schilderde Bush onlangs nog Clinton af als een gewiekst debater die in plaats van het vervullen van zijn dienstplicht, zich in Oxford had bekwaamd in het woordenspel. En Quayle gaf recentelijk te kennen sterk in het nadeel te zijn tegen Gore omdat deze aan het elitaire Harvard de duurste educatie had gekocht die er maar in Amerika te koop is. Zelf had Quayle als eenvoudige jongen uit de "Midwest', zo beklemtoonde hij, het met openbaar onderwijs moeten stellen.

Hellweg, Pfau en Brydon wijzen er ten slotte op dat het belangrijkste van alles toch het ""het debat na het debat'' is. Na afloop van het tv-optreden begint de discussie immers pas goed. En dat is het oeverloze maar vitale debat in de media tussen de deskundigen en de "spin doctors' over de vraag wie het tv-debat nu eigenlijk gewonnen heeft.

    • Thomas Bersee