De ideale verzamelaar (Meconopsis II)

De oorspronkelijke ontdekking van Meconopsis betonicifolia verbindt twee van de grootste namen in de 19e-eeuwse botanie. Die van pater Jean-Marie Delavay (1838-1895) zal bij veel tuiniers bekend zijn door het grote aantal planten dat zijn naam draagt (Incarvillea delavayi, Peonia delavayi, Osmanthus delavayi...), maar de naam Adrien René Franchet (1834-1900), beschreven als "wellicht de grootste systematicus die Frankrijk ooit heeft gehad', heeft misschien een minder bekende klank. Toch heeft iedereen die wel eens in een Chinese Flora heeft gebladerd deze naam gezien, zij het in een afgekorte vorm, en dat op bijna elke bladzijde.

In zo'n Flora wordt iedere plantennaam gevolgd door een van die afkortingen; sommige zijn gemakkelijk thuis te brengen (Thunb., Sieb.), andere zijn geheimzinniger (Hemsl., Hand.-Mazz.). Ze zijn geschreven in onzichtbaar Latijn, dat wil zeggen het openbaart zich pas wanneer er meer dan één naam staat: Tang et Wang; Kar. et Kir., om er enkele te noemen, die kennelijk voorbestemd waren in elkaars gezelschap de eeuwigheid in te gaan. Dit zijn niet de namen van de ontdekkers, maar van de botanici die de planten in kwestie benoemd hebben; zo verwijst het laatste woord in Meconopsis betonicifolia "Franch.' naar Franchet, terwijl aan deze benaming niet te zien is dat de plant door Delavay werd ontdekt.

Dit gebeurde op 13 juli 1886, op een berg genaamd Koua la po in de provincie Yunnan in China.(*) Delavay werkte als missionaris in China van 1867 tot zijn dood in 1895, voornamelijk in een bergachtig gebied van ca 100 bij 40 km in Noordwest-Yunnan, dat hij "la Suisse chinoise" noemde. Men mag hopen dat zijn missiewerk niet vergeefs was, maar het lijkt niet waarschijnlijk dat het aantal door hem geredde Chinese zielen in de buurt komt van het aantal Chinese planten dat hij opzond naar Frankrijk; dat waren er namelijk 200.000, meer dan 4.000 soorten vertegenwoordigend, waarvan er naar schatting van Franchet 1500 nooit eerder waren beschreven.

Over Delavay is weinig bekend; hij huisde in vrijwel totaal isolement in zijn plantenparadijs en heeft nooit iets gepubliceerd. Hij kwam uit de Haute-Savoie (zijn geboorteplaats heette heel toepasselijk Abondance) en placht zichzelf "montagnard' te noemen. Twee gebeurtenissen in zijn leven zijn voor de botanie doorslaggevend geweest: zijn vertrek naar China en vervolgens zijn afspraak met Franchet in het Muséum d'histoire naturelle in Parijs om hem planten te sturen. Daarvoor stuurde hij ze naar een Engelsman, Henry Fletcher Hance, die een netwerk van plantenverzamelaars had georganiseerd, als een ring van spionnen op vijandelijk gebied. Maar tijdens een bezoek aan Frankrijk in 1881 introduceerde een andere plantenverzamelende missionaris, Pater David, hem bij Franchet die onmiddellijk beslag op hem legde ten behoeve van Frankrijk.

Dat was een klap voor de Engelsen, maar ze troostten zich met verhalen over de Franse slag met betrekking tot hun aanwinsten. Andere botaniserende missionarissen hadden planten naar het Muséum gestuurd, om jaren later te ontdekken dat de kisten ongeopend in de reserves stonden te beschimmelen; niemand had tijd gehad ze te onderzoeken en vele ervan zouden zelfs op onverklaarbare wijze zijn verdwenen. Toen de mensen van het Muséum er toe overgingen enkele van de nieuwe Chinese aanwinsten te kweken, zouden ze dat gedaan hebben in kassen waarin het veel te heet was, zodat de planten doodgingen.

Het is waar dat Franchet er nooit in geslaagd is alle door Delavay gezonden kisten te openen; hij moet totaal overweldigd zijn geweest door de duizenden specimina die bleven arriveren, maar in Delavay had hij de ideale verzamelaar gevonden. Zijn specimina waren, volgens Franchet, "le plus parfait modèle qu'on puisse citer d'une collection d'herbier': bekwaam gekozen, onberispelijk geprepareerd en vergezeld van gedetailleerde beschrijvingen van de vindplaatsen en uiterlijke verschijning der planten. Delavay moet als een stofzuiger over het areaal zijn gegaan, alles plukkend dat de moeite waard was; een daar gelegen berg, de Tsemei, de "Mont Blanc van de Yunnan', beklom hij meer dan zestig keer, van iedere denkbare kant en in alle jaargetijden; na verloop van tijd verwees hij naar deze berg als "zijn tuin'.(*)

Over tuinen gesproken, Delavay schijnt zich meer dan andere verzamelaars bewust te zijn geweest van de sierplantwaarde van wat hij vond. Dat is opmerkelijk in een tijd dat de meeste verzamelaars nauwelijks leken te weten wat ze deden. Bretschneider bijvoorbeeld, zelf verzamelaar en schrijver van de onvolprezen History of European Botanical Discoveries in China (1898), deed de nu zo geliefde Paeonia lutea (die het Muséum dan toch maar had weten te kweken uit door Delavay gestuurde zaden) af als volgt: ""Deze geel bloeiende pioen is een kleinbloemige soort zonder waarde als sierplant.''

Franchet heeft zijn werk aan Delavays planten nooit voltooid. Hij publiceerde die van Pater David (Plantae davidiane ex sinarum imperio, 1884-1888), schreef een aantal artikelen en begon in 1889 aan Plantae delavayanae sive enumeratio plantarum quas in provincia Yunnan collegit J.-M. Delavay, maar publikatie stopte na de aflevering van 1890, bij Saxifraga; Meconopsis betonicifolia komt er nog in voor. Ook in het Latijn is deze volkomen herkenbaar: ""flores pauci, longe pedunculati, pedunculus erectis, majusculi, coeruleo-violacei.'' Voor botanici wordt het dan vermoedelijk pas opwindend: "capsula (haud perfecte matura) oblonga, in stylum 3-plo breviorem desinens)'. Wat vooral tot mijn verbeelding spreekt is dat Delavay de plant voor het eerst vond in juli 1886, maar haar niet in bloei zag tot de 17e juni van het volgende jaar. Beide vindplaatsen waren "in een woud', op hoogtes van resp. 3.200 en 3.000 meter.

Franchet zette de publikatie van de door Delavay gezonden planten voort in botanische tijdschriften. Tijdens een pestepidemie in 1885 werd ook Delavay getroffen en hij verloor het gebruik van zijn linkerarm; in 1892 ging hij nog een keer naar Frankrijk, maar keerde ondanks zijn slechte gezondheid weer naar Yunnan terug, waar hij op 30 december 1895 stierf. Kort daarvoor had hij nog een zending planten, bijna 800 soorten omvattend, naar Parijs gestuurd. Franchet overleefde hem tot 1900; in zijn necrologie wordt vermeld dat hij verantwoordelijk was voor de beschrijving van niet minder dan een vijfde van de gehele Chinese flora.

(*) Delavays oorspronkelijke beschrijving van de eerste vindplaats van Meconopsis betonicifolia luidt: ""in silva ad basin colli Koua la po, prope Ho kin, alt. 3200 m.'' Het was, verduidelijkt hij elders, een ""mons inter Ta li et Ho kin''. Dit zijn oude Franse transliteraties; Ta li wordt nu geschreven als Dali, en Hokin als Heqing. Tussen deze plaatsen liggen ca. 100 km. waarin op geen kaart een berg (laat staan een van 3200 m) valt te bekennen waarvan de naam zelfs maar in de verte lijkt op Koua la po. Het zou moeten zijn aan het noordelijke einde van een bergketen beschreven als Hee chan men, waarin zich ook de 60 maal beklommen Mont Blanc du Yunnan, de Tsemei, bevond.

Bretschneider, bijna honderd jaar geleden door dezelfde wanhoop bevangen als ik, vroeg Delavay per brief om aanvullende details; die kwamen per kerende post uit Yunnan, ook bijna allemaal onvindbaar. Ik heb nog gezocht in een geografische index (fangzhi) van Yunnan: bladzijden vol namen van bergen, maar geen Koua la po en geen Tsemei (ook niets dat lijkt op Hee chan men, een andere door Delavay verstrekte naam voor deze berg). Waren het namen in een plaatselijke taal? Was het Delavays accent uit de Haute-Savoie? Ziedaar wat de Fransen noemen un casse-tête chinois.

    • Sarah Hart