Axel en Karl hebben hun achternaam als tegenstander

Voor het geld hoeven ze het niet te doen. Beiden hebben rijke ouders, Axel Merckx (20) en Karl Zoetemelk (19), de zonen van ex-wielerkampioenen Eddy en Joop. Maar ze waren niet tegen te houden, kozen óók voor het harde métier op de fiets. Pas op late leeftijd. En in de wetenschap dat ze pa nooit zullen evenaren.

MEISE/MEAUX, 10 OKT. Huize Merckx in Meise, onder de rook van Brussel. Moeder Claudine, huisvrouw: “Ik ben bezorgd om Axel. Bang dat hij nog eens flink komt te vallen. Bij de onervaren liefhebbers gebeurt dat veel meer dan bij de beroepsrenners. Eddy was al prof toen ik hem leerde kennen. De schrik zat er bij mij toen veel minder in.”

Hotel Le Richemont in Meaux, aan de Marne. Moeder Françoise, eigenares: “Ik weet dat Karl risico's loopt. Het zware ongeluk van Joop, in 1974, zal ik nooit vergeten. Ik begin aan een tweede leven als vrouw in de buurt van een renner. Geen makkelijk bestaan. Ik hoop dat Karl snel een meisje vindt dat mijn rol overneemt.”

Axel Merckx lijkt op zijn vader. Vooral als hij grote ogen opzet en zijn voorhoofd fronst. Wel is hij blonder dan Eddy, die eigenlijk had gehoopt dat zoonlief carrière zou maken in het voetbal. Axel was wat dat betreft ook aardig op weg. Negen jaar speelde hij bij Anderlecht. Hij schopte het zelfs tot het Belgische scholierenelftal. Maakte nog deel uit van die selectie toen hij zijn kicks in mei 1988 definitief opborg. “Hoe hoger je speelt, hoe harder je moet vechten voor je plaats in het team”, weet hij nog. “En het spelletje werd steeds ruwer. Ging me op den duur tegen staan. Toen ik gekwetst raakte op de training - er werd flink gestampt - en mijn voet in het plaster moest, was de maat voor me vol. Punt erachter.”

Karl Zoetemelk lijkt op zijn moeder. Uiterlijk tenminste. In zijn manier van doen is hij net Joop. “Pfft”, zo reageert hij herhaaldelijk op de gestelde vragen, intussen zijn schouders ophalend. Hij was lang allroundsporter. Tenminste, liep hard, crosste en vloog van de skipistes. Twee jaar geleden koos hij voor het wielrennen. Pa Joop was “niet vóór en niet tegen. Het was wel een goede zaak dat hij er laat, op zijn zeventiende, mee begon. De ventjes die er op hun tiende of elfde al invliegen zijn uitgeblust voor ze twintig zijn. Ik was ook zeventien toen ik wedstrijden ging rijden.”

Ze herinneren zich hun eerste koers nog goed. Axel Merckx debuteerde in mei 1988 als nieuweling in Vlezenbeek. “Ik kwam goed mee in de groep, tot ik mijn wiel kapot reed.” Karl Zoetemelk maakte zijn entree in Nieuwegein, tijdens zijn vakantie in augustus 1990. “Voor de grap eigenlijk”, zegt hij in zijn beperkte Nederlands. Sindsdien maakten beiden voorzichtig vorderingen. Merckx kwam aanvankelijk niet goed uit de verf, tot hij als junior (1991) drie wedstrijden in twee weken won. Nu moet je meteen over naar de liefhebbers, adviseerde zijn vader, anders kom je stil te staan. Vorige maand zorgde hij voor een uitschieter: na een periode van ziektes triomfeerde de jonge Belg temidden van een aantal profs in Vannes in een etappe van de open Tour de l'Avenir. Zoetemelk junior is momenteel amateur deuxième catégorie. Dit seizoen schreef hij acht overwinningen op zijn naam. De volgende competitie hoopt hij door te dringen tot de Franse top, zodat hij aan klassiekers en internationale wedstrijden kan deelnemen.

Axel en Karl beseffen dat ze hun achternaam een beetje als tegenstander hebben. Vooral nu ze steeds meer bekendheid krijgen. Maar beiden zeggen “niet wakker te liggen” van de bijzondere, extra kritische aandacht van toeschouwers en collega's. Karl Zoetemelk: “In Frankrijk let geen mens speciaal op mij. Nooit iets van gemerkt tenminste. In Nederland wèl.” Vader Joop: “Die ouwe deed het toch stukken beter, hoorde ik langs de kant toen Karl in de zomer ergens in Utrecht aan een criterium meedeed. Stomme opmerking. Karl komt net kijken en is niet gewend aan die rondjes. Hier in Frankrijk rijdt hij alleen kermiskoersen, op een omloop. Gelukkig is hij er nuchter onder.”

De jonge Merckx eveneens. “Ik bespeur bij sommige concurrenten jaloezie. Die kunnen niet verdragen dat ik goede prestaties neerzet. Er zijn er ook die bewust een beetje op mijn wiel rijden. Als Axel wint, dan is dat toeval, heb ik wel eens vernomen. "Ze hebben Merckx zeker laten winnen', werd er gezegd toen ik in september eerste werd in een rit van de Toekomstronde. Daar moet u u boven zetten. Dat zijn lieden die niet bereikt hebben wat ze wilden. Mijn vader slaagde daar wel in. Er zijn mensen die me al met hem vergelijken. Kan niet. Hij is de grootste geweest. De palmares die hij heeft zullen niet rap worden verbeterd.”

De perfectionist Eddy Merckx, eigenaar van een bloeiende racefietsenfabriek, gunt Axel de optimale kans om als wielrenner te slagen. Na zijn middelbare school en zijn militaire dienst kreeg Merckx junior vier jaar. In die tijd moet hij, als fulltime-renner, een profcontract zien te bemachtigen. Lukt dat niet, dan kan hij weer gaan studeren. Karl Zoetemelk zit op de handelsschool en leert voor vendeur, verkoper. Ook hij droomt ervan fietser om den brode te worden. Hoe liggen de kansen?

Zoetemelk over Zoetemelk: “Pfft. Het is nog niet te zeggen of Karl grote aanleg heeft. Het is onbekend wat hij in de cols kan. Zijn bouw is goed. Hij is 1.78 meter lang bij een gewicht van 64 kilo. Net als ik vroeger.” Joop ziet nog meer overeenkomsten: “Karl rijdt ook een kleine versnelling, koerst op souplesse. En hij is heel serieus. Rookt niet, drinkt niet, hangt niet in de disco. Elke dag moet hij 24 kilometer naar school fietsen. Van Germigny l'Evèque, waar we wonen, naar Meaux en terug. Ik ging van Rijpwetering naar Leiden, precies even ver. Typisch. En hij is ook heel fanatiek, ten minste op de fiets. Ik was dat overal mee. Mijn vader liet me vroeger eens een kuil graven voor de aardappels. "Als ik terugkom mag je stoppen', zei hij. Hij vergat me. Ze hebben me uit dat gat moeten hijsen.”

Merckx over Merckx: “Als voetballer mankeerde Axel kracht. Dat is ook op de fiets nog zo. Maar het wordt beter. Hij is gegroeid, dat heeft tijd gekost. Ge kunt de natuur niet forceren. Zijn bouw? Hij is 1.90 lang bij 72 kilo. Toen ik bij de profs begon mat ik 1.84. Ik woog 72 kilo. Axel wordt nooit ene struise, hij is vrij lang maar niet zwaar. Hij rijdt graag klein, dat is goed, maar hij moet meer macht krijgen. Nogmaals, ik zie verbetering.”

Op één punt lijken Karl en Axel op elkaar. Ze zijn anti-sprinters. “Als we met zeven man naar de streep gaan, word ik heel misschien zesde”, lacht Zoetemelk. Merckx is optimistischer: “Tot voor een paar maanden was ik een echt strijkijzer, niet vooruit te branden als het op spurten aankwam. Maar als de wedstrijd zwaar is geweest gaat het intussen beter.” Een enkele keer trainen ze nog samen, vader en zoon. Joop (46), de Tourwinnaar van 1980, die in 1987 stopte: “Als ik me goed voorbereid, houd ik Karl nog bij. Nee, dan hang ik niet bekaf aan zijn wiel, maar rijd ik naast hem.” Merckx junior, wiens vader (46) na een unieke loopbaan (onder meer vijf Tourzeges) in 1978 afscheid nam, zegt dat Eddy hem op de vlakke weg nog kan volgen. “Gaat het bergop”, vervolgt hij, “dan komt pa in de problemen. Maar wat wilt u? Hij is zwaarder geworden. En hij heeft haast geen tijd meer om te koersen.”

Er is nog een punt van overeenkomst tussen de twee jonge renners: hun voornaam komt vrij zelden voor in het land waar ze wonen. Claudine Merckx: “Dat Zweedse Axel vond ik mooi. Bovendien is het een van de namen van Boudewijn, onze koning. Françoise Zoetemelk: “De Fransen hebben heel veel moeite met het uitspreken van Zoetemelk. Onze jongen moest daarom een makkelijke korte naam hebben. Zo werd het Karl. Straalt ook kracht uit.” Ze balt haar vuist. “Giovanni of zo vind ik niet bij een wielrenner passen.”

    • Guido de Vries