Willy Brandt

DE ZOGENOEMDE Hallsteindoctrine, jarenlang de hoeksteen van de buitenlandse politiek van de Bondsrepubliek, was al verlaten toen Willy Brandt, vanaf eind 1966, als minister van buitenlandse zaken in de grote coalitie van christen- en sociaal-democraten zijn opening naar Oost-Europa voorbereidde.

De Hallsteindoctrine, genoemd naar een hoge ambtenaar in Bonn die later voorzitter van de Europese Commissie zou worden, was de diplomatieke consequentie geweest van het alleenvertegenwoordigingsrecht dat de toen nog jeugdige Bondsrepubliek voor geheel Duitsland had opgeëist. Het leerstuk hield in dat volkenrechtelijke erkenning van de DDR het betrokken land op verbreking van de relaties met Bonn kwam te staan. Maar Brandts christen-democratische voorganger Schröder was al begonnen de betrekkingen met de Oosteuropese bondgenoten van de DDR te normaliseren.

Het was de tijd van de tweede ontspanningsgolf tussen Oost en West, van oude en nieuwe initiatieven om de kloof in Europa te overbruggen. Het was de tijd van de Harmeldoctrine die de verdediging van de Atlantische wereld aanvulde met een diplomatie van toenadering, jaren later uitmondend in de overeenkomst van Helsinki en de Europese Veiligheidsconferentie. De eerste Duitse socialistische minister van buitenlandse zaken sinds Weimar opereerde in een periode van hoop, van pogingen de verstarring te doorbreken. Maar de hele onderneming liep stuk op de inval van het Warschaupact in Tsjechoslowakije van augustus 1968. Aan de Praagse lente, de veronderstelde heraut van de nieuwe tijd, werd bruut een einde gemaakt.

Achteraf is "Praag' slechts een kort oponthoud in de détente gebleken. Als kanselier van een kabinet van sociaaldemocraten en liberalen bevond Brandt zich sinds de herfst van 1969 in de voorhoede. Zo markant was zijn optreden dat uit het Washington van Nixon-Kissinger al gauw waarschuwingen klonken tegen Duitse "Sonderweg' en "Alleingang'. Het nieuwe in Brandts aanpak was de erkenning dat in een wezenlijke normalisering op het Europese continent de DDR een plaats moest krijgen. Zo brak de tijd aan van het pragmatisme: het Westen was bij herhaling niet van zins en niet in staat gebleken de uitwassen van de Sovjet-hegemonie over Oost-Europa te voorkomen dan wel ongedaan te maken, het diende daarom zijn diplomatie te wortelen in de bestaande toestand, in de status quo, inclusief de erkenning van het bestaan van de DDR als politieke entiteit.

Uiteindelijk verwierf Brandt de onmisbare Amerikaanse rugdekking. Een viermachtenovereenkomst over Berlijn werd in de zomer van 1972 afgerond waarna de betrekkingen tussen de beide Duitslanden op een nieuwe leest konden worden geschoeid.

BRANDTS NATIONALE en internationale reputatie rust op drie zuilen. Zijn standvastige optreden als burgemeester van West-Berlijn, als symbool van de onvervreemdbare vrijheid van het stadsdeel in de crisisperiode van 1958 tot de bouw van de Muur in 1961, vestigde zijn naam. Als een van de leidende hervormers van zijn partij haalde hij de Duitse sociaal-democraten uit de politieke verdomhoek van de onverzoenlijke klassenstrijd. Als minister en vervolgens als kanselier bouwde hij de Duitse en uiteindelijk de Atlantische "Ostpolitik'.

Met zijn knieval tijdens een bezoek aan Warschau in december 1970 gaf Brandt spontaan uiting aan zijn gevoelens. Hij, de emigrant die de nazi's was ontvlucht, die in de ogen van veel volksgenoten zijn land had verloochend zo niet verraden, was bereid in persoon en publiekelijk datzelfde land voor de begane wandaden bij de slachtoffers te verontschuldigen. Niet als hol gebaar, maar als symbool van een daadwerkelijk op nieuwe Europese verhoudingen gerichte politiek.

Brandts vertrek uit de federale regering in 1974 gebeurde onder bittere omstandigheden die hun sporen in de rest van zijn leven hebben nagelaten. Maar die niet afbreuk hebben kunnen doen aan de naam en de verdienste van deze grote Duitse Europeaan - in de beste betekenis van het woord.