WILLY BRANDT (1913-1992); Vechter tegen haat en wantrouwen

BONN, 9 OKT. De SPD en de NSDAP hebben het lange leven van Willy Brandt beheerst. De eerste partij was zijn leven. Tegen de tweede heeft hij een zeer groot deel van zijn leven gevochten. Eerst, tot 1945, rechtstreeks, daarna tegen de erfenis van misdaad en schande, haat en wantrouwen die zij vooral in Oost-Europa maar ook elders in de wereld had achtergelaten.

De sociaal-democratie mocht dan zijn leven zijn, de op 18 december 1913 als Herbert Frahm in Lübeck geboren latere kanselier is er nooit op uit geweest om het haar makkelijk te maken. Dat begon al vroeg. Hij werd als vijftienjarige lid van de SPD maar ging op zijn achttiende over naar een afsplitsing: de Sozialistische Arbeiterpartei (SAP). Motief: hij was het eens met de SAP dat de SPD een te passieve houding tegen Adolf Hitlers NSDAP innam.

Dat er voor zo'n man in Duitsland geen plaats meer was nadat Hitler er in 1933 de macht had gegrepen stond vast. In dat jaar vluchtte Herbert Frahm, die als jonge socialist ook al eens problemen had gehad aan de grens van het neutrale Nederland, via Denemarken naar Noorwegen, waar hij terugkeert naar de sociaal-democratie. Om zijn ongehuwde moeder en andere familieleden in Duitsland niet in gevaar te brengen met zijn ook daar voortgezette gevecht tegen het nationaal-socialisme kiest hij dan de naam Willy Brandt, die hij beroemd zou maken als symbool van het "andere Duitsland'. Zeven jaar later, na de Duitse bezetting van Noorwegen, raakt hij even in gevangenschap maar hij weet tijdig naar Zweden te vluchten.

Na de oorlog leeft de voor de politiek geboren Brandt een paar jaar van twee schelven hooi. Hij is dan onder meer waarnemer namens de Noorse regering bij de Neurenbergse processen tegen wat er nog over is van de NSDAP-top en dient in (West-)Berlijn de geallieerden als persofficier. Daar krijgt hij in 1948 ook de leiding van het kantoor van het plaatselijke SPD-bestuur. Zijn leven met de SPD wordt dan ook een leven voor de SPD. In 1949 komt hij in de Bondsdag, in 1955 wordt hij president van het Westberlijnse parlement. Weer twee jaar later volgt hij de populaire partijgenoot Ernst Reuter, vader van de huidige chef van Daimler-Benz, op als regerende burgemeester van de stad. Hij zal in 1958 de Berlijnse crisis beleven, waarin Amerikaanse en Russische tanks dreigend tegenover elkaar komen te staan. En hij zal er, in 1961, de bouw van de Muur meemaken. Of juister: hij is dan net in West-Duitsland op verkiezingspad als kanselierskandidaat van de SPD en keert naar zijn nu fysiek gedeelde stad terug om een profetische reactie uit te spreken: “De dag zal komen dat de Brandenburger Tor niet meer aan de Duitse grens ligt”. Brandt staat naast president John F. Kennedy als die daar de zin “Ich bin ein Berliner” improviseert.

Taai en vruchteloos bijt Brandt in de jaren zestig zijn tanden stuk op de CDU-kanseliers Konrad Adenauer en Ludwig Erhard. Brandt heeft een voorkeur voor iets te glimmende pakken, Adenauer schrikt er niet voor terug om hem af en toe “per ongeluk” Herr Frahm te noemen, wel wetend dat hij daarmee onfijne maar effectieve emoties bij vele kiezers losmaakt (een "sozi' met een ongehuwde moeder die ook nog naar het buitenland ging, ja een buitenlands militair uniform droeg).

Brandt begint in 1964 wel aan een SPD-voorzitterschap dat tot 1987 (23 jaar) zal duren. Voor het kanselierschap is een omweg nodig. In 1966 wordt hij in een "grote coalitie' vice-kanselier en minister van buitenlandse zaken onder de CDU'er Kiesinger, iemand die ooit nog lid van de NSDAP was. Brandt kan voorzichtig beginnen aan zijn samen met Egon Bahr ontwikkelde Ostpolitik, die praktisch onbetwist zal blijven gelden als zijn grootste politieke werk. Nadat Adenauer de Bondsrepubliek in het Westen heeft verankerd (in de NAVO en de toenmalige Europese Gemeenschappen) gaat Brandt op weg om in de DDR en verderop in Oost-Europa openingen te maken. Met zijn "Politiek van kleine stappen' en "Wandel durch Annäherung', via verzoening en de erkenning dat Duitse claims op stukken van Polen (Pommeren, Silezië) als prijs voor Hitlers oorlog moeten worden weggestreept, effent hij het terrein, argwanend gevolgd door de CDU en Washington.

In 1969 krijgt hij in Bonn de handen beter vrij: hij wordt kanselier van een kabinet met de FDP. Dan volgen mooie jaren: in 1970 worden de zogenoemde Grundlagenverträge getekend met Moskou en Warschau, waar Brandt in het vroegere getto zijn beroemde knieval maakt (die hij, net als Kennedy's beroemde woord in Berlijn, graag als improvisatie de geschiedenis laat ingaan). De eerste SPD-kanselier sinds de vroege jaren twintig krijgt in 1971 de Nobel-vredesprijs en overleeft eerst nogal miraculeus een parlementaire aanslag van de CDU/CSU en wint vervolgens ook nog de Bondsdagverkiezingen van 1972.

Maar het einde van zijn kanseliersdagen komt in zicht. Vooral Herbert Wehner, dan de grote "kingmaker' van de partij en bovendien de man die eind jaren vijftig met zijn "programma van Bad Godesberg' de SPD erkenning als potentiële regeringspartij had weten te geven, acht Willy Brandt verbruikt als eerste man. De Ostpolitik "staat' , als binnenlands politicus stelt hij steeds vaker teleur en de sobere ex-KPD'er Wehner beleeft ook weinig plezier aan Brandts reputatie als Lebemann. Achter de coulissen loopt Helmut Schmidt, de latere "wereldeconoom' en "geostrateeg', zich trouwens al warm onder toezicht van FDP-vicekanselier Walter Scheel. De "Machtwechsel', minutieus beschreven in Arnulf Barings gelijknamige boek, komt in 1974, als Brandt te toegeeflijk is geweest jegens de grote overheidsvakbond ÖTV en in zijn directe omgeving bovendien de DDR-spion Günter Guillaume wordt ontmaskerd.

Kanselier Brandt vertrekt gegriefd door wat Wehner en Schmidt hem hebben aangedaan. Hij richt zich, als voorman van de zogenoemde commissie, op de Noord-Zuidproblematiek, wordt zeer actief in de Socialistische Internationale (waarvan hij erevoorzitter was) en behoudt ook het partijvoorzitterschap. Dat laatste stelt hem ook in staat om grote invloed te houden op de koers van de SPD. Brandt begint aan een langdurige spagaat, hij wil zijn partij zowel vernieuwen als bijeenhouden. De partij moet blijven regeren maar toch ook een greep op de nieuwe jonge kiezersmarkt houden. Bijvoorbeeld op het nieuwe en gevaarlijke fenomeen van de Groenen. Onder Brandts leiding groeit een nieuwe generatie SPD-kleinkinderen op die met hem alvast gemeen hebben dat hun afstand tot de niet zo hartstochtelijke partijman Helmut Schmidt (en zijn politiek) steeds groter wordt. De slepende partijpolitieke lijdensweg van de internationaal gerespecteerde Hamburger Schmidt eindigt in 1982 als hij in de SPD praktisch alleen is komen te staan en de FDP oversteekt naar Helmut Kohls CDU/CSU.

Sindsdien is de SPD er slecht aan toe. Haar kanselierskandidaten Johannes Rau (1983, niet zo prachtig gesteund door Brandt) en Hans-Jochen-Vogel (1987) hebben geen succes en Brandts politieke kleinkind Oskar Lafontaine vergaat het in het eenheidsjaar 1990 tegen Helmut Kohl niet beter. De Groenen zijn weliswaar uit de Bondsdag weggeïntegreerd door de nu ook ecologische SPD, maar de partij zelf haalt onder Lafontaine toch maar zo'n 33,4 procent van de stemmen. In 1987 hebben Brandt en de SPD elkaar opnieuw een teleurstelling bezorgd. De voorzitter had een partijloze dochter van een Griekse vriend en journalist willen aanstellen als woordvoerster van het partijbestuur. Dat ging niet door, Brandt stapte als voorzitter op en werd erevoorzitter.

In Brandts opvattingen was in zoverre een grote verandering gekomen dat hij, de man die in 1961 zo profetisch over de toekomst van de Brandenburger Tor had gesproken, de grondwettelijke opdracht tot hereniging in vrijheid van Duitsland nog in 1988 omschreef als de grootste "Lebenslüge' in de Duitse politiek. Toen de eenheid er een jaar later toch aankwam wist hij deze nieuwe werkelijkheid niettemin veel beter te aanvaarden dan de meeste partijgenoten. “Nu groeit samen wat bijeenhoort”, zei hij na de val van de Muur. Het werd opnieuw een beroemd woord, dat echter voorshands nog weinig echo's kreeg in zijn door de eenwording op de verkeerde voet verraste SPD. Aannemelijk is dat de oude Willy Brandt de Duitse eenwording, én de vreedzame manier waarop de Oostduitsers haar afdwongen, ook zal hebben genoten als een van de laatste afrekeningen met de erfenis van de vijand van zijn leven: A. Hitler.

Was de SPD-geschiedenis heel anders verlopen als de Nobelprijswinnaar uit Lübeck in 1974 niet als kanselier ten val gebracht was? Ja, vermoedelijk had Brandt dan in '76 de verkiezingen verloren die de mede-Hanseaat Schmidt won. De SPD, die onder Schmidt tot 1982 regeringspartij bleef, had anders wellicht eerder en gemakkelijker aan haar politieke regeneratie kunnen beginnen. Nu denkt de SPD terug aan een dierbare maar ook altijd wel wat ongemakkelijke zeer grote partijman, die het horloge van partij-oprichter August Bebel (sterfjaar 1913) als een trots symbool aan de pols droeg.