Wij mannen huilen niet

De schrijver Adriaan Morriën informeerde eens bij de literatuurcriticus Hans Gomperts tot welke leeftijd hij heeft gehuild. Zelf deed Morriën dat tot op zijn zesentwintigste levensjaar. Gomperts had deze bezigheid, deelde hij mee, op zijn vijfentwintigste gestaakt.

Laatbloeiers, mag ik wel zeggen.

Want wij, mannen, huilen niet. Dat is iets voor kleuters die zich een gat in hun knie hebben gevallen. Of voor vrouwen, nadat zij door ons, mannen, wat ongebruikelijk bars zijn toegesproken. Of voor seniele ouwe sukkels als de toenmalige Perzische staatsman Mohammed Mossadeq, die schreiend, in pyjama, de wereldpers te woord stond.

Nee, mannen huilen niet. Niet dat wij ongevoelig zijn, maar wij ontladen onze emoties bij voorkeur in het beschermende schemerduister van de bioscoop of schouwburg. Daar is het vertoonde leed artificieel, niet echt en nèt echt, vergelijkbaar met het sentiment van het vooroorlogse joodse vrouwtje dat na een tranenrijke voorstelling van de Twee Wezen tegen dat ongevoelige duo giechelmeiden, drie rijen verder, verzuchtte: “Hoe kan men iemand z'n middag zó versjteren...”

Huilen, authentiek huilen hebben wij, mannen, allang verleerd, hoeveel hongersnoden en natuurrampen er ook tegen ons worden gemobiliseerd. Ooit moet ik hebben geweten hoe het ging. Vaag herinner ik mij iets van gekietel achter de oogleden, waarbij een zekere hoeveelheid oogvocht vrijkwam. Vraag mij niet naar details, oorzaken en omstandigheden. Ik weet het niet meer. Terwijl ik toch werkelijk belangstelling voor het onderwerp heb. Zo heb ik ooit een cultuursociologisch onderzoek gedaan naar de emotionele implicaties van dè tearjerker bij uitstek, het zogenaamde smartlied uit Ruggerio Leoncavallo's opera Pagliaggi. Het is het verisme in zijn zuiverste vorm, in woord en klank vertaalde passie, gesitueerd in het broeierige Calabrië. “...En de geweende tranen zijn echt”, zo wordt ons in de proloog van het muziekdrama verzekerd. Helaas valt geween, als fysieke handeling, niet in muzikale termen te vertalen. De jammerklacht in C-groot bestaat niet, net zomin als een huilbui in c-klein. Mijn theorie, de grondslag van de studie, was dan ook: hoe onbeheerster de dienstdoende tenor, hoe smakelozer en onmuzikaler de desbetreffende kunstenaar. Het empirisch materiaal bestond uit vijftien verschillende opnamen van de betreffende aria, die ik op een zomernamiddag, met een blocnote in de hand, achter elkaar heb beluisterd. Het was galeienarbeid. Enrico Caruso was vanzelfsprekend de beste. De slechtste onder de vele slechten was, zonder concurrentie, Mario del Monaco.

Zijn voordracht begint achteloos, bijna onverschillig. De tenor wandelt de aria door, totdat het tweede Ridi pagliaggio wordt ingezet. Waar ontleende die man eigenlijk het voorrecht aan om met Maria Callas op één podium te staan? Dan zet het naspel in, samenvallend met des zangers klacht, dat zijn hart - "il cor' - is gebroken. Inmiddels jankt de kunstenaar als een straathond wiens staart is gecoupeerd. Waar Enrico Caruso kort en krachtig "il (snik) cor' zong, loopt Mario del Monaco leeg als de stortbak van het herentoilet, met een antimuzikale expressie die zich - fonetisch weergegeven - alleen maar laat omschrijven als een soort irirhidddihiddicocococohoorhohoho hohohehehehehe. Gran Dio!

Eén keer, herinner ik mij plotseling, heb ik mij in emotionele omstandigheden bijna als een normaal mens gedragen. Dat was begin januari 1988, bij de herdenkingsbijeenkomst voor Joop den Uyl, met wie ik verder niet zoveel had, maar die als een flinke, volwassen man is doodgegaan. De bijeenkomst werd gehouden in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Wat was het koud! Huiverend stond ik in het portaal, in afwachting van het moment dat de deuren open zouden gaan. Versteend door vorst en beroepscynisme inspecteerde ik de beproefde sociaal-democratische achterhoofden. Toen klonk uit één der geluidswagens een flard van Aan de Strijders, het meest aangrijpende socialistische strijdlied dat ik ken. Onmiddellijk schoot ik enigszins vol, gelukkig precies tot de grens die wij ons, mannen, plegen te permitteren. Nee, een verdienste is deze zogenaamde vorm van zelfbeheersing niet. Het is allemaal Eurocentrische schijnflinkheid, waar moeiteloos doorheen valt te zien. “Huilen doe je niet als je zacht of week bent”, schrijft Gerrit Krol, “huilen doe je na lange weerstand.” Ook in dit opzicht gedragen vrouwen zich menselijker, natuurlijker dan wij, tranenloze mannen. Is er nog hoop voor ons, het pantalondragende deel der natie? Misschien. Maandagmiddag belde ik mijn zoontje, die in de Bijlmer woont. Eén blok verder, dat vliegtuig had zich net zo goed in zijn flat kunnen boren. Hij was 's morgens even gaan kijken en had de koningin gezien, haar handen voor het gezicht geslagen. Die vrouw deugt, geen republikein die dit zal ontkennen. En als dat kind niet toevallig in de G-buurt, maar in de K-buurt had gewoond... Hoe het ook zij, het verhaal was in alle opzichten om te huilen, wat ik dan ook twee volle seconden heb gedaan.

    • Martin van Amerongen