Waarom altijd mannen? Liesbeth Brandt Corstius over het Gemeentemuseum Arnhem

Liesbeth Brandt Corstius is tien jaar directeur van het Gemeentemuseum Arnhem, bekend om zijn collectie magisch realisten. Toen Brandt Corstius aantrad zei ze dat ze meer hedendaagse kunst van vrouwen wilde tonen. De collectie bestaat nu voor de helft uit kunst van vrouwen. “In het begin zochten we bewust naar vrouwen, maar nu hoeven we geen moeite meer te doen om aan kwaliteit te komen.”

Het Gemeentemuseum Arnhem ligt schilderachtig - bovenop een heuvel, met een grote tuin en uitzicht over de groene uiterwaarden van de Rijn. Binnen hangen oude en nieuwe kunst bijeen. Het in 1920 opgerichte museum bezit een grote collectie schilderijen van Nederlandse magisch realisten: Dick Ket, Pyke Koch, Johan Makkink, Wim Schuhmacher, Charley Toorop, Carel Willink. Maar het museum is de laatste jaren ook bekend geworden om het aandeel van vrouwelijke kunstenaars dat veel groter is dan bij andere musea. Van de hedendaagse moderne kunst is de helft door vrouwen gemaakt.

Liesbeth Brandt Corstius (geboren 1940) is nu tien jaar directeur van het Gemeentemuseum Arnhem. Ze werkt er met een staf van zes conservatoren, vier vrouwen en twee mannen, een verhouding die tot voor kort nog drie op drie was. Haar werkkamer weerspiegelt de tendens in het museum. Aan de muur hangen een op een foto van een Vietnamese vrouw geïnspireerd werk van Nancy Spero en een abstract schilderij van Ansuya Blom. In een hoek staat een vrouw met een toorts, een voorstudie van Nel Klaassen voor het oorlogsmonument "Eert de vrouw' in Arnhem.

Brandt Corstius trad in 1982 aan als opvolgster van Pierre Janssen, die voor de televisie kunst voor een breed publiek begrijpelijk maakte. Bussen met fans kwamen af op "het museum van Pierre Janssen'. “Pierre Janssen deed dingen die ik absoluut niet kan', zegt Brandt Corstius. “Hij kon prachtig over kunst vertellen en hield lezingen waar veel mensen op af kwamen. Ik denk dat een aantal van hen zijn afgehaakt toen Janssen weg was. Maar het totaal aantal bezoekers per jaar is ongeveer gelijk gebleven. Het gemiddelde ligt op zo'n 90.000 mensen jaarlijks, met uitschieters naar boven bij bijzondere exposities. Vergeleken met andere regionale musea zoals in Utrecht of Eindhoven springen wij er gunstig uit.”

Voorkeursbeleid

De komst van Brandt Corstius, die in het feministische tijdschrift Opzij schreef en tentoonstellingen had ingericht als "Feministische Kunst' en "De Kunst van het Moederschap', bracht indertijd enige commotie teweeg. “Ik wil meer kunst van vrouwen tonen”, zei zij bij haar aantreden. Menigeen liepen de rillingen over de rug. Gevreesd werd voor een rigoureus voorkeursbeleid ten opzichte van vrouwen dat ten koste zou gaan van de kwaliteit. Terwijl haar voorgangers prioriteit gaven aan het opbouwen van de collectie magisch realisten, legde zij de nadruk op hedendaagse moderne kunst met figuratieve elementen. Het aandeel van vrouwelijke kunstenaars daarin liep tijdens haar directeurschap op tot 50 procent. Ten koste van de kwaliteit?

Nee, vindt Brandt Corstius. Ze noemt als voorbeelden kunstenaars als Rebecca Horn, Jenny Holzer, Korrie Besems, Marie-Jo Lafontaine, Maria Béatriz, Margriet Kemper. “In onze aankopen uit de jaren tachtig en in de tentoonstellingen zie je een fifty-fifty verhouding tussen mannen en vrouwen, maar dat geldt wat ons betreft ook voor het aanbod. Er zijn veel goede kunstenaressen, maar of je die tegenkomt heeft te maken met de netwerken waarin je je beweegt. Wij kennen nu eenmaal veel kunstenaressen. Zeker in de niet zo bekende, opkomende galeries vind je goed werk van vrouwen. Het aanbod wordt steeds groter. In het begin zochten we wel bewust naar vrouwen, maar nu hoeven we echt geen moeite meer te doen om aan kwaliteit te komen. Op de Documenta waren dit jaar drie van de vier Nederlandse kunstenaars vrouwen, onder wie Marlene Dumas, van wie wij werk bezitten. We hebben overigens nooit bewust geteld of de verhoudingen wel gelijk lagen. In het begin meldden zich veel vrouwen aan, die dachten dat ze hier makkelijk konden exposeren omdat ze vrouw waren, maar daar deden wij zelden iets mee. Meestal kennen we de mensen toch langer voor we iets kopen of exposeren.”

Brandt Corstius vindt het irritant dat ze steeds weer wordt aangesproken op de vrouwen in het museum, al beseft ze dat ze dat zelf over zich heeft afgeroepen. “Het blijft een fenomeen dat men het er altijd maar weer over heeft, terwijl er geen pagina's worden volgeschreven over de vraag waarom andere museumdirecteuren voornamelijk werk van mannen kopen. In het aankoopbeleid besteden wij trouwens veel aandacht aan de magisch realisten en daar vallen weinig vrouwen onder, al proberen we ook daar wel vrouwen aan te kopen. Van Charley Toorop hebben we twee werken gekocht en we verwierven ook twee aardige schilderijtjes van Marguérite Hynckes-Zahn, de vrouw van de magisch realist Raoul Hynckes van wie het museum veel werk bezit.

“Ik weet dat er wel in negatieve zin wordt gesproken over "dat vrouwenmuseum'. Dat hoor ik dan via via, want zelf merk ik er niets van. Wij laten goede kunst zien, vinden wij, en proberen het er niet zo uitgebreid over te hebben of het van mannen of vrouwen is. Het is wel zo dat hedendaagse kunst moeilijk te waarderen is. Magisch realisten vindt men nu eenmaal eerder mooi. Maar ik hoor mensen eigenlijk nooit zeggen: goh, dat ziet er niet uit. Bovendien hebben we een commissie van advies, waarin onder anderen gemeenteraadsleden zitting hebben, en daar heb ik nooit problemen mee gehad.”

Gezellig

De eerste drie jaar, zegt Brandt Corstius, viel het werk haar het zwaarst. “Je hebt met wethouders en ambtenaren te maken en dat kost veel tijd. Toen ik kwam waren er geen administratieve of financiële medewerkers, alleen een meisje dat de telefoon en de boekhouding deed. Daar heb ik moeite mee gehad, want ik moest alle financiële zaken zelf afhandelen. Gelukkig heb ik sinds een jaar iemand die dat werk voortreffelijk doet. Ik ben gemiddeld drie dagen per week in het museum, één dag besteed ik aan het bezoeken van ateliers en galeries en één dag aan overleg met rijk, provincie en gemeente.”

Het museum heeft een aankoopbudget van 80.000 gulden. Daar komt 60.000 gulden per jaar bij uit de verkoop van de museumwinkel, samen dus 140.000 gulden. WVC draagt daarnaast sinds vijf jaar nog een ton bij voor de aankoop van hedendaagse kunst en 30.000 voor hedendaagse toegepaste kunst. “Wij geven van die 140.000 gulden ongeveer de helft uit aan hedendaagse kunst, 30.000 aan de magisch realisten en 40.000 aan oude en nieuwe toegepaste kunst”, zegt Brandt Corstius. “Het historische gedeelte vinden wij vrij afgerond, dus daar kopen we niet veel meer aan en voor de archeologie zijn we afhankelijk van wat er in onze regio uit de grond komt. De collectie magisch realisten vullen we zoveel mogelijk aan. Toen ik kwam had het museum ongeveer vijftig schilderijen van magisch realisten, daar zijn er vijfentwintig bijgekomen. De prijzen voor magisch realisten zijn wel gestegen, maar wanneer een aankoop boven ons budget gaat, vragen wij de vereniging Rembrandt om financiële steun.”

Bijzonder aan het museum is dat het gratis toegankelijk is. Alleen voor belangrijke tentoonstellingen wordt een bijdrage van 2,50 gulden gevraagd. “Sommige mensen vinden het onzin dat het gratis is, maar ik wil het zo houden. Het museum heeft de naam laagdrempelig en gezellig te zijn. Ik heb met de gemeente afgesproken dat het in ieder geval gratis blijft tot wij een nieuwe vleugel hebben. Ik ben bang dat ik door het heffen van toegang juist die mensen verlies die hier regelmatig even binnenlopen”.

Historisch museum

Het museum is te klein om de hele collectie te laten zien. Al jaren bestaan er uitbreidingsplannen. In 1986 schreef Brandt Corstius een nota waarin zij voorstelde drie tot vier nieuwe expositieruimten tegen de heuvel aan te bouwen. Zo zou in het oude gebouw, een in 1875 door Cornelis Outshoorn ontworpen herensociëteit, meer ruimte komen voor de vaste collectie. Kosten ongeveer 20 miljoen gulden. Maar de beslissing laat op zich wachten. Pas volgend jaar zal de gemeente beginnen aan een haalbaarheidsonderzoek voor dit voorstel.

Sinds kort echter heeft het museum de beschikking gekregen over een oud patriciërshuis uit 1750 in de binnenstad, oorspronkelijk eigendom van een rijke Arnhemse zeepziedersfamilie, van 1844 tot 1920 een Burgerweeshuis. Dit pand zal worden gerestaureerd en over twee jaar in gebruik worden genomen als een apart historisch museum. Organisatorisch blijft dat voorlopig onder het Gemeentemuseum vallen. Een en ander betekent dat de oude en nieuwe kunst worden gescheiden. In het vroegere Burgerweeshuis worden de historische en archeologische afdeling en de restauratieafdeling papier ondergebracht. Ook zal er een keuze te zien zijn uit de collectie topografische prenten van plaatsen en landschappen in Gelderland, die worden gerestaureerd in het kader van het Deltaplan voor het cultuurbehoud. Het historisch museum zal ook, zij het beperkt want het Airborne museum is vlak bij, aandacht besteden aan de geschiedenis van Arnhem tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De ruimte die door deze verhuizing in het huidige museum vrijkomt, zal onder andere worden gebruikt om de uitgebreide collectie toegepaste kunst, waaronder veel Arnhems glas- en aardewerk, uit te stallen, alsook de verzameling hedendaagse sieradenontwerpen en "table top' (messen, vazen, lampen, etc.).

Zoals zo vele namen is ook de naam van Liesbeth Brandt Corstius gevallen in verband met de opvolging van directeur Wim Beeren van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Zelf zegt ze geen enkele behoefte te hebben om weg te gaan. “Na tien jaar valt het werk me veel makkelijker dan in het begin en je zou kunnen zeggen dat het dan saai wordt. Maar ik vind Arnhem buitengewoon aangenaam, en ik zie het opzetten van het historisch museum als een nieuwe uitdaging.”

    • Gerda Telgenhof