Vijf eeuwen roken, snuiven en pruimen

AMSTERDAM, 9 OKT. Toen Christoffel Columbus op 12 oktober 1492 voet aan wal zette in Amerika kreeg hij van de daar wonende indianen als welkomstgeschenk een aantal gedroogde tabaksbladeren. Het zou een cadeautje met ver strekkende gevolgen worden: vijfhonderd jaar later wordt in ruim honderd landen tabak verbouwd en zijn 100 miljoen mensen in de hele wereld voor hun levensonderhoud afhankelijk van de tabaksindustrie.

De tentoonstelling in het Tropenmuseum duurt tot en met 9 oktober 1993

In het kader van het Columbusjaar is in het Tropenmuseum in Amsterdam de tentoonstelling "500 jaar tabakscultuur' ingericht. Aan de hand van een grote collectie snuifdozen, pijpen uit de hele wereld, oude en moderne schilderijen, reclame-affiches, tabaksverpakkingen, "rook'-fragmenten uit films en beelden van een moderne tabaksplantage in Zimbabwe worden vijf eeuwen roken, snuiven en pruimen fraai in beeld gebracht. Ook voor "Het Eeuwige Debat' tussen rokers en niet-rokers is een plaatsje ingeruimd op de tentoonstelling.

De oudste sporen van tabaksgebruik zijn in de vorm van pijpjes gevonden in het Amazone-gebied en dateren van circa 2.000 voor Christus. De oudste afbeelding van een roker (500 v Chr.) bevindt zich in een Maya-tempel in Mexico. De Maya's geloofden dat de goden rookten en beschouwden vallende sterren als door de goden weggegooide "sigarettenpeuken'. Roken had dan ook een godsdienstige betekenis en was alleen weggelegd voor priesters en vorsten.

Holland maakte pas omstreeks 1550 kennis met tabak. Eerst als sierplant in botanische tuinen, later als genotmiddel dat aanvankelijk alleen in apotheken verkrijgbaar was wegens de vermeende medicinale werking. Het werd gebruikt als middel tegen astma, hoofdpijn, jicht, pest en lintworm. Binnen de kerk echter rees verzet tegen tabak; het zou een duivelskruid zijn, omdat er bij de gebruiker rook uit mond en neus kwam. In 1650 wordt het gebruik van tabak in de St. Pieter in Rome door paus Innocentius X verboden.

In de 16de eeuw leggen steeds meer Europese landen tabaksplantages aan in hun koloniën. Vooral de Engelse plantages in Virginia zijn van groot economisch belang: de tabak export naar Engeland stijgt tussen 1619 en 1638 van 60.000 naar 1.230.000 pond. Nederland sticht plantages in Nederlands-Indië en met name Sumatra krijgt naam op tabakgebied. Een apart deel van de tentoonstelling in het Tropenmuseum is gewijd aan de Sumatra-tabak.

Niet overal in Europa ontwikkelde het tabaksgebruik zich zo voorspoedig. In het 17de eeuwse Turkije werden rokers onthoofd en in Rusland werden zij verbannen of de neus afgesneden.

In Nederland was de opmars van tabak echter niet te stuiten. Al aan het einde van de 16de eeuw was gebruik van het genotmiddel wijd verbreid. De gegoede burgerij rookte, de lagere standen snoven of pruimden. Amsterdam, Vlissingen en Delfzijl ontwikkelden zich tot de belangrijkste tabakhavens in het land. In 1667 adverteert een Amsterdamse tabakshandelaar met de "alom befaamde tabaksrolletjes, genaamd sigaren'. Vanaf 1826 worden in Nederland sigaren gemaakt en in 1885 opent de eerste sigarettenfabriek haar poorten.

Anno 1992 roken vier op de tien volwassen Nederlanders en is Nederland uitgegroeid tot een van de belangrijkste producenten van tabaksprodukten in Europa. Uit cijfers van het voorlichtingsbureau sigaretten en shag blijkt dat Nederland, na Duitsland en Groot-Brittannië, de grootste producent van sigaretten in de EG is. Wat betreft sigaren is Nederland de tweede producent in de EG en de eerste shag-producent. Van de in Nederland geproduceerde sigaretten wordt 89 procent geëxporteerd, vooral naar Italië en Frankrijk, waarmee in 1991 een bedrag van 3,4 miljard gulden gemoeid was. Ook de inkomsten voor de staat uit tabak zijn niet gering: in 1991 vloeide er 3 miljard gulden aan accijns en BTW in de staatskas.

Bijna de helft van alle tabak (48 procent) komt uit het Verre Oosten. China, India, de voormalige Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Brazilië gelden als de belangrijkste producenten. Binnen de EG hebben Italië en Griekenland enige faam als tabakstelers. De verbouw van tabak is zeer lucratief: per hectare levert het vijf maal zoveel op als mais en drie tot vier maal zoveel als katoen en aardnoten. Groot nadeel van tabak is dat het enorm veel voedingsstoffen onttrekt aan de grond en dus moet worden afgewisseld met de verbouw van andere produkten.

Voor de ontwikkelingslanden (van de honderd producentenlanden behoren er 78 tot deze categorie) is tabak dan ook een belangrijke bron van inkomsten. In Zimbabwe bij voorbeeld is tabak verantwoordelijk voor 22 procent van de export-inkomsten (in Harare bevindt zich de grootste tabaksveiling ter wereld), in Malawi zelfs voor 65 procent.

Ondanks de intensieve anti-tabakscampagnes in het Westen en het feit dat het tabaksverbruik in West-Europa en Noord-Amerika daalt, blijft de produktie van tabak stijgen. De prijs van ruwe tabak op de Amerikaanse markt is al geruime tijd stabiel, bijna 2 dollar per pond. Tussen 1976 en 1987 groeide de produktie met 17,3 procent tot 6,2 miljoen ton, zo blijkt uit cijfers van de Wereldvoedselorganisatie FAO. Oorzaken zijn de stijgende consumptie in de ontwikkelingslanden en de vraag uit oost-Europa naar goede tabak. Verwacht wordt dat daar voorlopig weinig verandering in zal komen: de FAO schat dat de consumptie over de hele wereld zal toenemen tot 7,9 miljoen ton in het jaar 2000.