Uitverkorenen in het gelid; Het Groot-Duitse Walhalla in Beieren

Honderdvijftig jaar geleden werd in Beieren het Walhalla gebouwd, een Grieks aandoende tempel waar beroemde Duitsers zijn vereeuwigd in steen en marmer: veldheren en historici, kunstenaars en koningen. Ook Nederlanders en Belgen hebben er een plaats gekregen.

“Er zijn nog twaalf plekken open in het Walhalla. In het huidige tempo van één nieuwe uitverkorene in de vijf jaar zal de hemel in 2050 helemaal vol zijn.”

De mededeling dat ik naar het Walhalla ging, zorgde in Nederland voor opgetrokken wenkbrauwen. Maar in Regensburg, een Beierse stad aan de Donau vol gotische gebouwen die de oorlog hebben doorstaan, reageerde het personeel van de plaatselijke VVV zakelijk en routineus op de vraag wat de snelste weg naar het Germaanse Elysium was. Niet de verheven raad om zo spoedig mogelijk een heldendood te sterven, kreeg ik daar, maar het praktische antwoord dat ik bus 5 moest nemen vanaf de Ernst Reuterplatz naar Donaustauf.

Waarschijnlijk is er van opzet geen sprake, maar de bushalte is een passend vertrekpunt voor de tocht naar het Walhalla. Aan de ene kant van het plein staat een groot ruiterstandbeeld van Ludwig I (1786-1868), koning van Beieren en stichter van de Duitse hemel, aan de andere kant een monument, gewijd aan een van de beroemdste Regensburgers, de astronoom Johannes Kepler. Het ronde classicistische tempeltje met Keplers buste is een soort eenmanswalhalla en vormt zo een mooie opmaat voor de echte Duitse heldenhemel, waarin de Regenburgse geleerde ook is opgenomen.

De busrit zelf is teleurstellend. Buiten het Anton-Pieckachtige oude centrum blijkt Regensburg te bestaan uit anonieme buitenwijken en industrieterreinen en wanneer ik in het dorpje Donaustauf uitstap, is er nog geen spoor van het Walhalla te bekennen. Slechts een klein bordje wijst naar een donker bos, waar volgens de Regenburgse VVV-folder "das bedeutendste Denkmal Deutschlands' zich zou moeten bevinden. Er is geen levende ziel te zien en tijdens de voettocht door het duistere Germaanse woud begin ik te twijfelen of het bordje wel de goede richting opwijst. Maar dan - en hier moet wel sprake zijn van opzet - houdt het bos abrupt op en sta ik oog in oog met een immens wit marmeren bouwwerk, dat zich hoog boven de beneden stromende Donau verheft. Een Azteekse piramide, bekroond door een Parthenon, zo laat het Walhalla zich het kortst omschrijven. Aan de voet van de eindeloos lijkende trap die pardoes in het landschap begint, is het heldenverblijf daarboven nauwelijks waarneembaar. Pas als de 538 treden bijna allemaal zijn bestegen, is het Duitse Parthenon in volle glorie te zien.

Op 18 oktober is het precies honderdvijftig jaar geleden dat het Walhalla werd geopend. Dit zal met opmerkelijk weinig feestgedruis gepaard gaan. Meer dan een paar concerten en een plichtmatig son-et-lumière zullen er niet plaatsvinden. Dit heeft zeker te maken met het doel van het Walhalla: koning Ludwig I hoopte dat men zich na een bezoek "meer Duitser' zou voelen. “Möchte Walhalla förderlich sein der Erstarkung und Vermehrung Deutschen Sinnes! Möchten alle Deutschen, welchen Stammes sie auch sind, immer fühlen, dass sie ein gemeinsames Vaterland haben, auf das sie stolz sein können; und jeder trage bei, soviel er vermag, zu dessen Verherrlichung”, verklaarde hij plechtig bij de opening. Het zijn woorden die veel Duitsers niet hardop durven herhalen, zeker niet nu skinheads en voetbalsupporters dit twee jaar na de Duitse eenwording wel doen.

Teutscher Zunge

Binnen, in de ommuurde ruimte van de tempel, staan de 122 stenen portretten van grote Duitsers op ooghoogte langs de wanden opgesteld, keurig in het gelid, in drie rijen. Hoog in de zaal hangen 64 platen met namen van "Teutschen' van wie geen portret bekend is, zoals Arminius en andere helden, vorsten, bisschoppen en geleerden uit vroege eeuwen. Alle naamplaten en 96 van de 122 in steen vereeuwigde Duitsers zijn de persoonlijke keuze van Ludwig I. Drie criteria had hij voor opneming in het Walhalla: de uitverkorene moest minstens tien jaar dood zijn, "groot' zijn geweest en "von Teutscher Zunge'. Geslacht, stand of rang van de hemelkandidaat deden er niet toe. Oorspronkelijk wilde Ludwig nog levende grote Teutonen bijzetten in de "Halle der Erwartung' die zich in het tweede terras van de piramide bevindt. Maar na een hatelijke opmerking van de Oostenrijkse staatsman Metternich dat Ludwig zichzelf dan zeker als eerste in het voorportaal van de hemel zou laten opnemen, zag hij van ingebruikneming van de "Halle' af.

Het criterium "von Teutscher Zunge' hield in dat het Walhalla ook wordt bevolkt door Duitssprekenden die hun grootse daden niet op Duits grondgebied hebben verricht, zoals keizerin Maria Theresia van Oostenrijk-Hongarije en de Russische keizerin Catharina de Grote. Ook Clovis, Pepijn de Korte, Karel de Grote, de Engelse koning Alfred de Grote en Willibrord voldeden blijkbaar aan het criterium en zelfs Nederlands was volgens Ludwig I een soort Duits: maar liefst acht Nederlanders (Boerhaave, Erasmus, Hugo de Groot, prins Maurits, Willem van Oranje, koning Willen III, Michiel de Ruyter, Maarten Tromp) en vier Vlamingen (Jan van Eyck, Peter Paul Rubens, Frans Snijders, Antonie van Dijck) zijn als portretten in de hemel opgenomen. En Claudius Civilis, leider van de opstand van de Batavieren tegen de Romeinen, wordt herdacht met een naamplaat.

Iedereen is gelijk in het Walhalla, behalve Ludwig zelf. Alle grote "Duitsers' worden geëerd met even kleine stenen portretten, alleen van Ludwig I staat er een levensgroot beeld, als Odin in de Germaanse mythe temidden van de helden. Het werd overigens pas 32 jaar na zijn dood vervaardigd en opgesteld.

Tegenwoordig beslist de Beierse ministerraad over toelating tot het Walhalla. Die stelt als eis dat de uitverkorene niet tien, maar twintig jaar dood is. Wie na twintig jaar nog beroemd is, zal dat wel eeuwig blijven, zo lijkt de ministerraad te denken. Als de oorspronkelijke, strikt symmetrische opstelling van de portretten wordt volgehouden, zijn er nog twaalf plekken open in het Walhalla. In het huidige tempo van één nieuwe uitverkorene in de vijf jaar zal de hemel in 2050 helemaal vol zijn.

Op de keuze van uitverkorenen heeft van begin af aan kritiek bestaan. Sommigen vonden dat er te veel Pruisen en protestanten in stonden, anderen vonden juist het aantal Beiers en katholieken te hoog. Johann Nepomuk Sepp, de biograaf van Ludwig I, schreef in 1849 na een bezoek aan het Walhalla: “Ons verstand staat stil. Hebt u geen andere groten, vaderland?”

Een beetje gelijk heeft Sepp wel. Natuurlijk, Schiller, Goethe, Luther, Holbein, Händel, Mozart, Haydn, Beethoven, Bach, Dürer, Gluck, Copernicus, Kepler en al die "Teutsch'-sprekende koningen uit een ver en nabij verleden ontbreken niet, maar wie, behalve gespecialiseerde geschiedkundigen, weet wat de verdiensten van Herzog Bernhard von Weimar en Eberhard im Bart zijn geweest?

Het hemelse gezelschap is onevenwichtig samengesteld. Veldheren die tegen Napoleon hebben gestreden zijn met zeven oververtegenwoordigd, van andere beroepsgroepen zijn er juist weer te weinig in het Walhalla. Zo zijn filosofen niet erg geliefd: geen Schopenhauer, geen Nietzsche en geen Hegel in de hemel van het volk van dichters en denkers, maar alleen Kant, Schelling en Leibniz, uitverkorenen tegen wie niemand bezwaar kan hebben. En ondanks Ludwigs liefde voor de bouwkunst hebben slechts twee architecten het Walhalla gehaald: de anonieme "Baumeister des Cölner Doms', die wordt geëerd met een naamplaat, en Erwin von Steinbach, die in Ludwigs tijd doorging voor de architect van de kathedraal in Straatsburg, maar later slechts een deel ervan ontworpen bleek te hebben.

Misschien hoort Steinbach daarom niet meer thuis in het Walhalla, maar het is nooit voorgekomen dat een uitverkorene er later uit verwijderd is. Zelfs Hitler heeft niet allerlei boeven de hemel binnengeloodst die later voor royering in aanmerking zouden zijn gekomen. Gezien zijn voorkeur voor het ongenaakbare classicisme van Albert Speer, ligt het voor de hand te veronderstellen dat de mengeling van klassiek en Teutoons in het Walhalla de Führer bijzonder aansprak, maar hij heeft de tempel vrijwel met rust gelaten. Alleen de componist Anton Bruckner heeft hij in 1937 in de heldenhemel bijgezet en niemand zal eisen juist hem eruit te gooien. (Hitlers favoriete componist Richard Wagner was al in 1913 toegelaten.) Ook hoefden de nazi's geen joodse Duitsers uit het Walhalla te halen, want die waren er voor 1933 niet in doorgedrongen. Heinrich Heine is trouwens nog steeds niet uitverkoren en Gustav Mahler ook niet. Pas in 1990 werd Albert Einstein als eerste jood in het Walhalla opgenomen. Het ontbreken van joden in het Germaanse Elysium lokte trouwens al vlak na de opening in 1842 kritiek uit.

Napoleon

Het Germaanse Elysium vindt in zekere zin zijn oorsprong in Frankrijk. Geïnspireerd door het Pantheon in Parijs kwam Ludwig al in 1807 op het idee voor een "Tempel deutscher Ehre', toen hij, nog als Beierse kroonprins, in het door Napoleon bezette Berlijn verbleef. Als de dagen van "Teutschlands diepste smart' voorbij waren, zo beloofde Ludwig, zou hij een monument voor beroemde Duitsers oprichten. Zeven jaar later was Napoleon verslagen en schreef Ludwig I een prijsvraag uit voor het Walhalla.

Richard Wagner zou later in zijn opera Die Götterdämmerung het Walhalla in vlammen laten opgaan, maar Ludwig wilde een hemel voor de eeuwigheid. Het moest een gebouw in "een vernieuwde antieke stijl' worden, vond hij, want het was beter "om een waardige imitatie te hebben van alles wat groots was in de oudheid dan een minder mooie, maar originele schepping'. De woorden zijn typerend voor de architectuuropvattingen van Ludwig I, die München wilde veranderen van een provincieplaats in een wereldstad en daarvoor in 1816 de neo-classicist Leo von Klenze (1784-1864) als Hofbaumeister aanstelde. Met gebouwen als de Glyptothek, de Alte Pinakothek en de Propyläen aan de Königsplatz werd Klenze de Beierse evenknie van zijn veel beroemdere Pruisische tijdgenoot Karl Friedrich Schinkel, die, ook in opdracht van een kroonprins, Berlijn moderniseerde.

Geen van de prijsvraaginzendingen kon Ludwig bekoren en dus moest Klenze er verder aan werken. Klenze heeft nooit verhuld dat het Parthenon het voorbeeld was voor de heldenhemel, integendeel, hij was er trots op. Net als de Athene-tempel op de Akroplis heeft de Germaanse hemel acht Dorische zuilen aan de voor- en achterkant en zeventien aan de zijkanten. En is het Parthenon 49 meter lang, 14 meter breed en 16 meter hoog, de maten van het Walhalla wijken daar nauwelijks van af met achtereenvolgens 48,5, 14 en 15,5 meter. Maar zoals het bij een klassiek bouwwerk hoort, betekenen deze afwijkende maten wel dat het Walhalla in alle details verschilt van het grote voorbeeld: de doorsnede en lengte van de zuilen zijn anders, evenals de afstand tussen de zuilen, de afmetingen van de pedimenten, enzovoort.

Niet bekend

Maar voor het interieur heeft Klenze het Parthenon-model helemaal verlaten. De met beige en bruin marmer bedekte wanden, de Karyatiden vermomd als met gouden berevellen omhulde Walküren, de galerij op de eerste verdieping waar het gastenboek ligt, het met goudkleurige sterren beschilderde plafond - ze kwamen in het Parthenon niet voor en ze zorgen voor een feestelijke en toch plechtige ruimte. En de drie bovenlichten in het voor die tijd moderne dak van ijzer en koper maken de verblijfplaats van grote "Teutschen' lichter dan het Parthenon van binnen ooit is geweest.

Gotiek

Op de Griekse vorm van het Walhalla kwam al lang voor de voltooiing kritiek van Duitse kunstenaars en architecten. “Waarom moet het grootste Duitse monument zo absoluut Grieks zijn?” schreef de schilder Peter Cornelius aan Ludwig I. “Waarom wordt de grote, heerlijke, echt oorspronkelijke Duitse bouwstijl genegeerd?” Met die "echt Duitse bouwstijl' bedoelden Cornelius en vele Duitsers met hem de gotiek. Dat de "Spitzbogenstil' ooit in Normandië was ontstaan en dat ook Fransen en Engelsen deze stijl als nationaal beschouwden, deerde hen niet.

Maar Klenze kon in de gotiek niets anders zien dan verderf en ontaarding en noemde zijn tegenstanders idioten. Voor hem was de Griekse bouwkunst het allerlaatste woord in de architectuur. Het beste dat ook een Duitse architect kon doen, was de elementen ervan op een "intelligente en redelijke manier te gebruiken'. “De Griekse bouwkunst kan en moet de architectuur van de wereld zijn, in alle periodes; noch klimaat noch materiaal noch andere gewoonten kunnen een obstakel voor de universele toepassing zijn”, schreef Klenze aan Ludwig I. “Palladio werd groot en onsterfelijk door de geïnspireerde aanpassing van de Romeinse architectuur aan de eisen van zijn eigen tijd en land. Ik zal proberen hetzelfde te doen met de werken van de Grieken, dat is de enige manier om iets meer te zijn dan een bleke plagiator.”

Klenze had nog een andere rechtvaardiging voor de Griekse behuizing van de stenen portretten: de Kaukasustheorie. Volgens geleerden uit zijn tijd hadden de Griekse, Germaanse en Italische volkeren gemeenschappelijke wortels in Centraal Azië. Van daaruit zouden ze, met een tussenstop in de Kaukasus, naar Europa zijn getrokken. De Germanen vestigden zich ten slotte in Duitsland door de Donau over te trekken, wat weer een argument was voor de plaats van het Walhalla bij Donaustauf.

Curieus

Is het Walhalla in staat tot het oproepen van pro- of anti-Duitse gevoelens? Voelde ik me "meer Duitser' toen ik de 538 treden afliep? Nee, dat niet, maar ook het tegenovergestelde was niet het geval. Zeker, het Walhalla is nationalistisch en Duits, maar dit keer is de combinatie eerder curieus en zelfs mooi dan gevaarlijk. Al zullen sommigen de inlijving van buitenlanders beschouwen als een akelig groot-Duits trekje, ik vond de aanwezigheid van helden en schilders uit de Lage Landen eerder vertederend dan ergerlijk. En al zullen enkele van al die nu vergeten middeleeuwse vorsten wel wreedaards zijn geweest en al vallen er tegen de hemelvaart van de antisemiet Richard Wagner wel bezwaren te verzinnen, het gezelschap hemelse Duitsers is toch voornamelijk eerbiedwaardig en nauwelijks in staat tot het opwekken van nationalistische sentimenten. Niet voor niets zag Hitler weinig in het Walhalla. Politici en militairen worden al lang niet meer toegelaten tot de hemel - Bismarck in 1908 en Von Moltke in 1910 waren de laatsten - en het bloed van Duitse nationalisten zal niet sneller gaan stromen bij het zien van de in 1928 opgenomen "deutsche Turnvater' Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852) of van de in 1983 bijgezette Max von Pettenkofen (1818-1901), grondlegger van de moderne hygiëneleer.

Bovendien hadden de tegenstanders van Klenze gelijk: er is niets Duits aan de architectuur van het Walhalla. Wie van de tempel naar de Donau afdaalt, wordt door de piramidevormige trap naar het tweede terras herinnerd aan Egypte en door de toegangspoort van de "Halle der Erwartung' aan de Etruskische graven. En de immense onregelmatige blokken van het onderste deel van de onderbouw doen ten slotte denken aan de cyclopenmuur in Mycene. Nooit borrelt Duitsland in de gedachten op. Op de boot die me terugbrengt naar Regensburg zie ik misschien niet het "bedeutendste Denkmal Deutschlands' langzaam achter de bomen wegschuiven, maar wel een hoogtepunt van het Europese neo-classicisme.

    • Bernard Hulsman