Plan-Zalm om "overlegeconomie' te schragen; Sociale partners: meer aandacht arbeidsmarkt

DEN HAAG, 9 OKT. De problemen aan de "onderkant' van de arbeidsmarkt moeten centraal komen te staan in het sociaal-economische beleid voor de komende jaren. De vakcentrales en de werkgeversorganisaties zijn het over dit doel in grote lijnen eens.

Dit valt op te maken uit uitlatingen van werkgevers en werknemers die zich momenteel in een speciale commissie van de Sociaal-Economische Raad buigen over de toekomst van de Nederlandse "overlegeconomie'. Zij vinden dat terugdringing van het financieringstekort van de overheid na 1994 niet langer de boventoon moet voeren in het beleid, maar de vraag hoe je laaggeschoolde werklozen en mensen met een uitkering aan de slag krijgt. Het beraad in de commissie spitst zich toe op de wijze waarop het nieuwe doel het beste kan worden bereikt. Men is erop gebrand hierover tot overeenstemming te komen, ook om de critici van de overlegeconomie de mond te snoeren.

Directeur prof.drs. G. Zalm van het Centraal Planbureau heeft een "actieplan' op tafel gelegd, waarover de commissie zich vanmiddag zou buigen. In dit plan staat de onderkant van de arbeidsmarkt centraal: er moeten meer banen komen voor laag geschoolden, en de financiële prikkel om te werken moet worden vergroot.

Zowel de werkgevers als de vakbonden hebben kritiek op het plan-Zalm. De werkgevers vinden dat meer nadruk moet worden gelegd op kostenmatiging, waarmee de economische groei kan worden gestimuleerd. Ze denken daarbij vooral aan een verlaging van de collectieve lastendruk (het totaal van sociale premies en belastingen). Voor de vakcentrales is de ontkoppeling van lonen en uitkeringen, die impliciet in het plan-Zalm is opgenomen, een hete aardappel.

Het volledige plan-Zalm omvat zeven punten: 1. Na 1994 is het financieringstekort niet langer hoofddoelstelling, maar nog slechts randvoorwaarde voor het overheidsbeleid. Centraal moet staan vergroting van de arbeidsparticipatie, in het bijzonder aan de onderkant van de arbeidsmarkt (laaggeschoolden, uitkeringsgerechtigden). 2. Werken moet financieel aantrekkelijker worden, en tegelijk moeten de loonkosten worden gematigd. Verhoging van het netto minimumloon of de netto uitkeringen mag alleen door een lagere belastingdruk, niet door een verhoging van het bruto minimumloon. De verlaging van het verschil tussen bruto loonkosten en netto loon (de wig) moet worden toegespitst op de lagere inkomens. Om de arbeidsdeelname van gehuwde vrouwen te stimuleren moet de overheveling van de belastingvrije voet naar de partner gefaseerd worden afgeschaft. Op lange termijn moet worden gestreefd naar een individualisering van de sociale zekerheid in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting (wat neerkomt op een basisinkomen voor iedereen). 3. De overheid stelt voldoende geld beschikbaar voor om- en herscholing en voor de tripartiete arbeidsbemiddeling, die zich toespitst op groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie. 4. Het misbruik van sociale uitkeringen wordt scherper bestreden, evenals de belastingontduiking. De instanties die bepalen of iemand een uitkering krijgt moeten zelf de financiele verantwoordelijkheid voor die uitkeringen dragen. Bij de werknemersverzekeringen (WW, Ziektewet, WAO) wordt daar al aan gewerkt; bij de bijstand moeten de gemeenten verantwoordelijk worden voor de kosten van de bijstand. Het Rijk geeft de gemeenten dan geld via een systeem van normuitkeringen. 5. Algemene loonkostenmatiging is goed voor de werkgelegenheid, maar voor de laag geschoolde werklozen onvoldoende. Er moeten meer laag geschoolde functies komen, bijvoorbeeld via taakafsplitsing (een gediplomeerd verpleegster hoeft de bedden niet op te maken). 6. De CAO's moeten werkgevers, op basis van een centrale aanbeveling, verplichten om zich in te spannen etnische minderheden, langdurig werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan werk te helpen. Die verplichting moet niet vrijblijvend zijn maar controleerbaar. 7. De leeftijdsgrens van het jeugdwerkgarantieplan moet worden verhoogd, zodat meer langdurig werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten worden verplicht tot werk of scholing. De gemeentelijke sociale diensten en de regionale arbeidsbureaus moeten nauwer samenwerken. Dat is, zo heet het in het plan-Zalm, het “sluitstuk van de gezamenlijke aanpak”.

    • Kees Calje