Over ridders ben ik uitgepraat; Gesprek met Tonke Dragt

De kinderboeken van Tonke Dragt zijn niet erg toegankelijk. Dat geldt ook voor haar nieuwe boek Aan de andere kant van de deur, over een geheimzinnige ambassade. Toch vermoedt de schrijfster niet dat kinderen zich zullen storen aan de dubbelzinnigheden en ingewikkelde theorieën: “Ik denk dat een kind van twaalf zich er helemaal niet in verdiept.”

Tonke Dragt: Aan de andere kant van de deur. Uitg. Leopold, 347 blz. Prijs ƒ 34,90

Ze had Aan de andere kant van de deur vorig jaar af willen hebben, want toen was ze dertig jaar schrijfster. Maar niet alleen dijde haar boek flink uit, ook produktietechnisch is het, met z'n vele illustraties, handgeschreven stukken tekst, typografische bijzonderheden en voetnoten, een tijdrovende klus geweest. Na een betrekkelijk stille periode van tien jaar dook Tonke Dragt vorige maand opeens weer op met een nieuw kinderboek van zo'n 350 pagina's.

Een formaat waar ze in de jaren zestig haar hand niet voor leek om te draaien: in die tijd publiceerde ze bijna jaarlijks een stevige pil, die doorgaans nog goed werd ontvangen ook. Over de respons op haar werk, waaronder De brief voor de koning (1962), De zevensprong (1966), Torenhoog en mijlen breed (1969), De torens van februari (1973) en Ogen van tijgers (1982), heeft Tonke Dragt nooit te klagen gehad. Nog steeds krijgt ze veel brieven van lezers: kinderen én volwassenen, want ook in science fiction-kringen blijken sommige van haar boeken zeer in de smaak te vallen.

In de gang van haar huis in Den Haag staat een groot poppenhuis, waarvan alle kamers volledig zijn ingericht. Compleet met pietepeuterige serviesjes, schaartjes en zelfs bladmuziek op postzegelformaat. 'Für Elise' lees ik. Een van de poppetjes vertoont een treffende gelijkenis met Albert Einstein, en hij is het ook, in een handgebreid truitje. Het poppenhuis stelt de ambassade voor die in haar nieuwste boek, Aan de andere kant van de deur, zo'n grote rol speelt. Het is geen gewone ambassade die een land vertegenwoordigt, maar een huis vol raadsels en geheimen dat op zichzelf een autonome wereld vormt, "aan de andere kant van de deur'.

Van oudsher wordt Tonke Dragt ingedeeld bij de kinderboekenschrijvers, maar dat betekent niet dat haar werk makkelijk toegankelijk is. Zeker haar laatste boek niet: Aan de andere kant van de deur, voorzien van een uitgebreide bibliografie, maakt een buitengewoon doorwrochte indruk en vereist door z'n filosofische karakter van de lezer (ondergrens ongeveer dertien jaar, denkt ze zelf) de nodige intellectuele inspanning.

Bij Tonke Dragt gaan een veelzijdige belangstelling, een elastisch denkvermogen en een rijke fantasie hand in hand. In Aan de andere kant van de deur speelt de Tijd een belangrijke rol, maar ook - om maar een greep te doen - de literatuur (science fiction, sprookjes, een soort hommage aan de dichter Christian Morgenstern en zijn nonsensverzen), spiegelmotieven (een bekend verschijnsel in haar werk), Superman, de quantummechanica en Albert Einstein horen er in thuis. Als lezer moet je moeite doen de schrijfster bij te houden: ze geeft weinig gelegenheid tot reflectie.

Uitgangspunt is het idee dat je nooit zeker weet wat zich achter een deur bevindt voordat je hem opendoet. Waarom zou die deur niet eens op iets anders uitkomen dan de gang of overloop die je verwacht erachter aan te treffen? Stel dat... Het zou toch kunnen? Het is een gedachte die typerend is voor het werk van Tonke Dragt, maar, zegt ze, “het is niet zo dat ik in dat soort dingen geloof, want je kunt ze niet beheersen. Ik ben een religieus atheïst.”

Behalve dat beschouwt ze zichzelf als een typische sprookjesvertelster, in die zin dat ze de fantasiewerelden die ze in haar boeken oproept zo geloofwaardig mogelijk probeert over te brengen. Terwijl ze haar vroege werk, zoals Verhalen van de tweelingbroers (1961), De brief voor de koning en het vervolg daarop, Geheimen van het wilde woud (1965), situeerde in een fictief middeleeuws aandoend verleden, is ze zich in de loop der jaren steeds meer op de toekomst gaan toeleggen.

“Technisch zou ik het nog wel kunnen, een ridderverhaal schrijven,” zegt ze. “Het zou nog goed verkopen ook. Vaak wordt me gevraagd of ik nog een vervolg ga schrijven op De brief, maar dan zeg ik: verder mag je het zelf verzinnen. Over Tiuri [de hoofdpersoon] ben ik uitgepraat. Je belangstelling verandert.”

Marsman

En dus wandelt in Aan de andere kant van de deur een marsman rond, en een robotvrouw, die zij dezelfde naam gaf als haar antwoordapparaat: Xantippe. Hoewel Tonke Dragt moet toegeven dat Xantippe geen echte functie heeft in het verhaal: “Ze woont gewoon in die ambassade, ik kan het ook niet helpen. Dat ik haar in het boek heb opgevoerd komt doordat een paar kinderen me robotjes voor mijn poppenhuis gaven.”

Ondanks die veranderde belangstelling is er duidelijke sprake van een constante in haar werk: met alleen de alledaagse wereld zoals wij die kennen neemt ze als schrijfster geen genoegen. Haar fantasie laat dat eenvoudigweg niet toe.

Aan de andere kant van de deur is de eerste helft van wat een serie moet gaan worden onder de titel "Zeeën van tijd'. Hoofdpersoon is Otto, een jongen van dertien jaar die op geheimzinnige wijze een incompleet boekje in handen krijgt. Dat boekje vormt de sleutel tot de andere wereld die achter de deur van zijn kamer ligt: die van de Januaraanse ambassade, waar "zeeën van tijd' zijn omdat de klokken er geen wijzers hebben. Voor Otto, maar ook voor de lezers, is het leven in de ambassade één groot raadsel dat stukje bij beetje ontsluierd wordt. Langzamerhand komt hij erachter dat het mogelijk is heen en weer te reizen tussen de ambassade en zijn eigen "gewone' wereld.

Otto is in de ambassade heel anders dan in het gewone leven. Hij beweegt zich vrijer, gedraagt zich volwassener.

“Ja, in het begin van het boek is het een introverte jongen die geen vrienden heeft. Hij kan goed leren en vaak worden dat soort kinderen op school gepest. Op zulke momenten doet hij niks terug, want hij heeft geen sociale vaardigheden. Maar in de ambassade wordt hij socialer en sluit hij zelfs vriendschap met een van de bewoners.

“Otto is dertien jaar, een boeiende leeftijd, vind ik. Hij is ook in dat opzicht een grensgeval, hij staat tussen twee werelden in, wat ik als kind zelf ook heb gehad. Ik heb tot mijn vijftiende in Indië gewoond en vervolgens kwam ik in Dordrecht terecht. Ik voelde me daar echt een displaced person. Overgeplant worden naar een volkomen andere wereld terwijl je net zelf aan het volwassen worden bent...

“Aan de andere kant van de deur is echt Otto's verhaal, het is af. In het tweede deel is hij niet meer de hoofdpersoon. Maar er blijven natuurlijk vragen over: wie is de onbekende ambassadeur bij voorbeeld. Je kunt het concluderen, maar ik heb natuurlijk wel dwaalsporen aangelegd. Een heleboel dingen wil ik ook niet uitleggen. De lezer mag zelf bedenken waar ze vandaan komen. Aan de andere kant van de deur kan nu eenmaal van alles gebeuren. Nou ja, alles... er gelden natuurlijk wel wetten. En aan die wetten zal ik me in het tweede deel moeten houden, ook als het me niet uitkomt straks.”

Voorstudie

Van deel twee, dat De weg naar de cel gaat heten, heeft ze inmiddels vijf van de twaalf hoofdstukken af, of eigenlijk zes, want één heeft ze al eerder gebruikt, in Het geheim van de klokkenmaker dat ze in 1989, tijdens het schrijven van Aan de andere kant van de deur publiceerde, bij wijze van voorstudie. “Ik had toen al een tijd niets gepubliceerd en ik dacht: ik moet iets publiceren, om greep te krijgen op de stof. Daar heb ik veel aan gehad.”

U vertoont een voorkeur voor reeksen: getallenreeksen, het alfabet, maanden. Een hang naar systematiek.

“Mijn zwakke punt is mijn ongebreidelde fantasie. Ik moet alles bekorten, nooit verlengen. en dan is het heel goed om een soort anker te hebben waaraan je jezelf streng vastlegt, anders zou ik verzeild raken in een oeverloze zee van tijd. Ik doe dit altijd in mijn boeken, want je moet de zaak toch de baas blijven. Daarom is Aan de andere kant van de deur - en De weg naar de cel ook - onderverdeeld in twaalf hoofdstukken: de cijfers van de klok.”

Als je niet oplet, ontgaat je een hoop. Het boek zit vol dubbelzinnigheden, verwijzingen en ingewikkelde theorieën. Kinderen zijn dan toch in het nadeel omdat ze nu eenmaal minder weten.

“Ja, dat zeg jij! Ik denk dat een kind van twaalf zich er helemaal niet in verdiept, maar wel de grap ziet van klokken die alleen tikken als je erbij bent. Volgens mij kun je dit boek op verschillende niveaus lezen, onder andere als avonturenverhaal. En bovendien, kinderen hebben zoveel interessen...

“Ik heb ooit een dinosaurusboek geschreven, in 1980. Ik was mijn tijd kennelijk vooruit. Ik had een hele dummy volgetekend met geologische overzichten en plaatjes, ik had vertalingen gemaakt van dinosaurusverhalen, en saurische verzen geschreven. Maar niemand wilde het uitgeven, want het zou veel te duur worden omdat het per se in kleur moest. Bij de CPNB wilden ze het ook niet hebben als kinderboekenweekgeschenk, want het was veel te elitair, te moeilijk voor kinderen. Al die moeilijke namen zoals tyrannosaurus rex - nou, ik kende ze ook toen ik tien was. Kinderen kennen toch ook alle voetbalclubs en automerken? Waarom dan geen dinosaurussen? Volgens mij zijn er altijd kinderen die op een bepaalde leeftijd van dinosaurussen houden. Het is voor hen het bewijs dat draken toch bestaan hebben of zoiets.”

Tonke Dragt staat bekend als een perfectioniste die eindeloos herschrijft - zonder tekstverwerker - en als ze het nodig vindt maanstanden uitrekent. Het moet allemaal kloppen, vindt ze. Zo maakte ze voor Aan de andere kant van de deur een lijstje waarop ze voor zichzelf bijhield welke deuren in de ambassade naar binnen opengaan en welke naar buiten.

Bij de illustraties, die ze altijd zelf maakt, gaat ze al even precies te werk. Daarom was het voor haar een uitgemaakte zaak dat ze voor de krabbels van Otto ook werkelijk het handschrift van een dertienjarige moest gebruiken. Voor Aan de andere kant van de deur maakte ze een groot aantal collages die een indruk geven van het interieur van de ambassade: vol trappen, deuren en klokken. Sommige foto's die ze in reclamefolders of in tijdschriften tegenkwam beïnvloedden haar verhaal: “Dan zag ik een mooie foto van een deur, en daar veranderde het verhaal weer door.”

Behalve Einstein is niemand van de personages afgebeeld.

“Hoe die eruitzien mogen de mensen zich zelf voorstellen. Collages bestaan uit foto's, die zijn toch al zo realistisch. Ik zou werkelijk niet weten welk model ik dan voor Otto zou moeten gebruiken. Einstein heb ik als enige afgebeeld omdat ik hem in mijn boek niet echt als personage opvoer. Dat mocht niet, vond ik, omdat die man een legende is. In mijn boek wordt over hem gepraat omdat hij regelmatig te gast is in de ambassade, maar Otto ontmoet hem niet.”

Heeft u wel eens geprobeerd een echt realistisch boek te schrijven? Een boek zonder fantasie-elementen, dat zich in deze tijd afspeelt, en in deze wereld?

“Jawel, maar het lukt me niet. Ik ben eens aan een verhaal begonnen over een groep kinderen die met schoolreis gingen. Binnen twee hoofdstukken was die bus de lucht in gevlogen.”

    • Carolien Zilverberg