Opgewekte somberte; Lyrische gedichten van Elly de Waard

Elly de Waard: Eenzang. Uitg. De Harmonie, 168 blz. Prijs ƒ 34,90.

De zevende bundel van Elly de Waard heeft het formaat en de omvang van een roman. Hij weegt 274 gram. Hij telt maar liefst 120 gedichten: allemaal zonder titel achter elkaar geplaatst, allemaal bestaande uit tweeregelige strofen, met soms een enkele losse regel. Totale lengte: 2016 verzen. Zo'n bundel wekt de indruk een dichterlijk testament te willen zijn, een eigen bijbel waarin alles voor eens en altijd gezegd moet zijn. Maar zo'n boek is Eenzang niet: geen compositie van de wereld met een weloverwogen bouwplan en duidelijke uitspraken, maar eerder een mozaïek van samenhangende gedichten, bewust fragmentarisch en vluchtig van karakter, bijeengehouden door één toon.

Een veelzeggend woord in deze bundel is het allereerste: het woord en. Zonder hoofdletter. Wie een gedicht en zelfs een bundel met en begint, begint niet echt, maar suggereert dat zij aansluit bij iets wat al gezegd of gedacht is: een voortgaande stroom van woorden, regels en zinnen waaruit er nu schijnbaar willekeurig enige gelicht gaan worden. Er zijn ook gedichten die met maar, misschien of dat beginnen. En bijna alle gedichten eindigen zonder punt als om aan te geven dat ze op zeker moment even toevallig weer overgaan in de hoofdstroom. Tussen terloops begin en onaf einde ontspint zich steeds iets, in disticha met korte regels en verdoezeld rijm, waar de zinnen zich soepel overheen slingeren. Het is zoals het leven zelf vaak is: er wordt iets opgezet, er neemt iets vorm aan, maar halverwege wordt als het ware de stop eruitgetrokken en wikkelt het gedicht zich langzaam af om in de laatste regels weer te vervluchtigen. En zo vormt zich een indrukwekkende reeks van 120 aanzwengelingen, die nu eens tot hoogtepunten van verrukking, dan weer tot droeve dalen leiden, nu eens tot een geestige of geile anekdote, dan weer tot een bezonken overpeinzing. Geen epiek, maar lyriek. Achter elkaar vormen deze 2016 versregels één zang, zo mag de titel van de bundel denk ik wel worden opgevat. Er is één gedicht waarin de titel verhuld voorkomt. Het beschrijft de angst van de ”ik' voor het verliezen van de geliefde; het dichten moet die angst bezweren: ”ik was er zo/ doodsbang voor// dat ik haar/ verloor dat ik// maar zong en zong en/ neuriede en floot// eentonig, één/ zang, als wie// 's avonds langs/ het kerkhof loopt// en bang is, bang'.

Uit deze regels valt op te maken dat eenzang ook in verband mag worden gebracht met eentonigheid, met altijd maar weer een en dezelfde zang. De Waard maakt zich geen illusies over de oorspronkelijkheid van haar onderwerp: ”het is altijd koekoek één zang' luidt het montere motto. Het oude liedje dat hier keer op keer gezongen wordt is dat van de onmogelijke liefde, in dit geval de liefde voor een biseksuele vriendin die soms wel wat wil, maar niet altijd alles:

Had je gedacht dat ik alles

voor je op zou geven, dan?

- Alleen je man.

En aangezien de ander daar maar niet toe kan besluiten, rest de dichteres weinig anders dan te blijven wachten en smachten, herinneringen te koesteren en de toekomst te vrezen, eenzaamheid te ontvluchten en te verbijten. Eenzang lijkt mij ook de contaminatie van alleenzang en eenzaam. Er is veel eenzaamheid, gemis, angst, twijfel en wanhoop in deze bundel en soms liggen ze open en bloot aan de oppervlakte, bijvoorbeeld in een bekentenis als deze: ”Zij hield mij kort/ maakte mij klein// ze wilde mijn/ in stukken zijn// ik hield mij groot en/ gaf mij bloot// en elke keer ging ik/ van binnen meer// dood '.

Dit is geen dichten meer, maar zuchten. De termen zijn van De Waard zelf, die het onderscheid maar al te goed kent en ook wel weet dat er in poëzie alleen gezucht mag worden als er veel gedicht tegenover staat. Bij zo'n zielig onderwerp en bij zo'n lyrische instelling is het de kunst om het gedicht zich los te laten zingen van zijn aanleiding. Hoe moeilijk dat is valt af te lezen aan haar twee vorige bundels. Het lange epos Een wildernis van verbindingen (1986) was een overwinning op de vorm: in gedreven verzen, in een roesachtige reeks werd superieur afgerekend met een voorbije liefde. Maar in Onvoltooiing (1988) ging het vaak weer hopeloos mis. Daarin ontbrak de bevlogenheid; de korte, op zich zelf staande gedichten bleven steken in een krampachtige poging om een kennelijk nog niet helemaal verwerkte liefde op te blazen tot poëzie.

Eenzang sluit aan bij het stramien van Een wildernis van verbindingen: een lange reeks, een vorm die vrij genoeg is om zich een enkele inzinking of ontsporing te kunnen permitteren en genoeg afstand tot de aanleiding. Allerlei particularia blijven hier achterwege. Het zoeken naar de geliefde wordt een existentieel zoeken, haar halsstarrigheid een beeld voor de halsstarrigheid van het gedicht en haar onbereikbaarheid een symbool voor al het onbereikbare. Zij is hier onderwerp en muze tegelijk, een fantoom bijna, een steeds van vorm en gedaante wisselend wezen waarvan soms zelfs niet meer duidelijk is of zij nog wel bestaat.

Het ware loszingen van de aanleiding voltrekt zich in de vorm, in het vermogen om niet alleen de gebeurtenissen, maar ook de taal de eigen wil op te leggen. Veel komt hier aan op souplesse, het behendig kappen en draaien aan het eind van de regel, het niet al te opzichtig verdoezelen van het rijm en het beteugelen van al te wilde beeldstapelingen, waarvoor De Waard van oudsher een voorkeur heeft. En op het vinden van een toon die mooi het midden houdt tussen al te alledaags zuchten en al te gekunsteld dichten. Er zijn in Eenzang veel sterke regels te vinden waarin een onderstroom van somberte in een heldere en bijna opgewekte toon gevangen wordt. Zoals in het volgende gedicht, dat een mooie gang maakt van toeristische waarneming via desolate verzuchting naar onthecht einde:

Tussen de tegels groeide/ hetzelfde blad, dat twintig// eeuwen eerder als motief/ in het marmer van een kapiteel// was uitgehakt en op/ het huisje van een slak// pronkten de kleuren en/ de tekening van een amfoor// waarvan een enkele scherf hier/ uitgewist nog lag. Ik zat// op de omgevallen resten/ van een pilaar en staarde,// dit alles aan mijn voeten, naar/ de besneeuwde toppen// van de Ida en ik wilde/ dat ik mijn liefde op dezelfde// wijze over de dood heen/ tilde, ongeacht haar// wedervoelen, als dit/ onveranderlijk zijn en// groeien, als de nacht zich/ over de dag, de dagen// zich over elkaar.

Het grote en het kleine, het rijke verleden en het armzalige heden, het eigen verdriet in het licht van vele eeuwen worden hier in eenvoudige woorden en zonder effectbejag bij elkaar gebracht. Zoals zo vaak in Eenzang is de bewering droevig en overheerst het besef dat er niet veel meer te winnen valt, maar het verlies wordt moedig onder ogen gezien en in stevige regels bedwongen. Een met opgeheven hoofd geleden nederlaag is vaak mooier dan een krampachtig behaald overwinninkje.

    • Guus Middag