NOMINEREN

Ook ik heb een brief gekregen waarin staat dat ik genomineerd ben voor de Audax Columnistenprijs 1992 die dit jaar in Tilburg voor het eerst wordt uitgereikt. Net als een andere genomineerde die er een stukje over in de krant heeft geschreven, ben ik erdoor in verwarring geraakt.

Ik wil deze 15.000 gulden graag hebben, dat om te beginnen. Maar het proces van het nomineren brengt in dit geval veel geestelijke rompslomp met zich mee. Met sommige genomineerden ben ik bevriend, met andere niet. Met sommige juryleden ben ik ook bevriend of een beetje bevriend en sommige ken ik niet. Als ik de prijs niet zou krijgen, zou ik die graag aan een bevriende kandidaat gunnen. In dat geval zou ik de bevriende juryleden het misschien licht kwalijk nemen dat ze hun bevriend-met-mij-zijn niet het zodanig gewicht hadden toegekend dat ik er in hun positie aan had gegeven. Maar ik had me getroost met de gedachte dat ik niet op de hoogte ben met hun mate van bevriend-zijn met de sommigen die ik tot mijn vrienden reken. Als een niet bevriende columnist de prijs zou krijgen had ik dat op rekening van de niet bevriende juryleden geschreven. Andere mogelijkheden kan men zelf bedenken en deze ook trouwens. Tot zover één kant van de verwarring. Bij zulke prijzen denk ik altijd: bevriend is verdiend.

De tweede kant van de verwarring is dat ik sommige kandidaten in sommige gevallen beter vind dan anderen en dat ik andere kandidaten in alle gevallen niet zo goed vind als sommige. Ik ben weleens jaloers op sommige stukjes van anderen, terwijl ik alle stukjes van sommigen nooit geschreven zou willen hebben. Dat heb ik gelukkig ook niet gedaan. Maar als een van die laatstgenoemde sommigen de prijs krijgt: wat dan? Soms kan ik beter tegen mijn verlies dan anders.

In de columnisterij is dat vraagstuk eenvoudiger dan bij het echte schrijverschap. Er zijn literaire prijzen die strijk en zet worden gegeven aan mensen die geheide domoren zijn vergeleken bij anderen die zo'n prijs niet krijgen. De AKO-prijs is een berucht voorbeeld. Daar zie je het relatief genie beteuterd kijken terwijl de krabbelaar de 50.000 gulden in zijn zak steekt. Iedereen tast in het duister behalve de winnaar, en natuurlijk de juryleden maar uit hun rapport kun je meestal niet veel wijs worden.

Voor de toekenning van de AKO-prijs heb ik dit jaar het Model Jansen voorgesteld. Eenvoudig, naar het voorbeeld van het Eurosongfestival. Er zijn zes juryleden en zes kandidaten. Ieder jurylid heeft honderd punten tot zijn beschikking om die over de kanshebbers te verdelen. Daarbij moet hij uitleggen waarom hij A veertien punten wil geven, B dertig, enzovoort. Op die manier kan iedereen volgen hoe de beslissing tot stand komt en waarom het deze is en niet een andere. Daarover kan iedereen dan nog van mening verschillen, vriendschappen kunnen worden verbroken en nieuwe gesloten, maar de geheimzinnigheid is eraf, de spanning neemt door de puntentellerij toe en intussen leert men iets over het werk van de kandidaten en de opvattingen van de juryleden. Het verstand wordt gescherpt en de belangstelling van de literatuur gestimuleerd.

Vroeger hield ik met mezelf weleens een tweespraak die verwant was aan "de achterkant van het gelijk'. Het was nacht, het stortregende, noodweer. "Als je daar een miljoen gulden mee kon verdienen, zou je dan nu van Amsterdam naar Oldenzaal willen lopen?' vroeg ik. "Natuurlijk,' antwoordde ik. "Nog wel verder'. Zo ging het door. Het bedrag werd steeds kleiner, lopen werd kruipen, regen werd sneeuw, enzovoort, tot ik het moest opgeven. Zou ik met zes vrienden en niet-vrienden naar Tilburg lopen in de zekerheid dat daar op een van ons vijftienduizend gulden lag te wachten? Nee. Met paard en wagen? Ook niet. Auto met chauffeur? Ik denk het niet. Een helikopter dan? Dat is me nog niet gevraagd.

Dit wil zeggen: degenen die via een nominatie van een stuk of wat kandidaten de aandacht op hun eigen naam willen vestigen, moeten tot de uiterste grenzen van de achterkant van het gelijk gaan. Geen vijftienduizend gulden maar veel hogere bedragen uitloven en dan degenen nomineren die òf boezemvrienden zijn, òf elkaars gezworen vijanden. En ook in de jury: gabbers van de ene of de andere partij. Dan allemaal, onder toezicht van de televisie en de schrijvende pers in een helikopter, en maar eens zien wat ervan komt.

Na dit alles te hebben overwogen heb ik besloten dat ik niet naar Tilburg ga. Ik zet mijn schoen.