Molens worden kamelen; Dozen vol onbekende bakerrijmen

Iedereen kent er wel een paar: bakerrijmen, door baker, vader of moeder aan het kind verteld, of kinderrijmen, soms eeuwenlang van kind op kind doorgegeven tijdens het spelen op straat. Engeland, België en Duitsland hebben allang degelijke standaardwerken over kinderrijmen. Maar in Nederland wachten in het Meertens Instituut voor Volkskunde 10.000 in dozen opgeslagen verzen nog altijd op bewerking en uitgave.

In deze kinderboekenweek een beschouwing over bakerrijmen, en op pagina twee een gesprek met kinderboekenschrijfster Tonke Dragt, en het antwoord op de vraag waarom meisjes jongensboeken lezen.

Er is een ongeschreven Nederlands verhaal dat iedereen kent. Het gaat over Jan. Jan is geboren in Den Haag. Als zoon van een graaf is het niet vreemd dat Jan ruiter wilde worden. Maar Jan heeft geen paard. Daarom koos hij voor een carrière als schoenmaker. Ook dat gaat niet voorspoedig, want zijn klanten hebben geen geld. Jan heeft vaak pech. Als hij uit pompen gaat, breken zijn klompen. Als hij naar huis gaat om een boterham te vragen is er niemand thuis. Als hij in een ton zit valt die in duigen. En als hij uit een boom valt lachen zelfs de koeien hem uit. Soms maakt Jan het er ook zelf naar. Hij slaat zijn vrouw bij voorbeeld met een koekepan. Maar gelukkig slaat zijn vrouw, Lijsje, terug. Lang heeft Jan het met Lijsje overigens niet uitgehouden. Hij hertrouwt met tante Betje en van haar krijgt hij een eigen kleine poppedeine en een grote bombam.

Wie kent deze gebeurtenissen uit het leven van Jan niet? Vervat in rijmpjes worden ze jaar in jaar uit herdrukt en van nieuwe illustraties voorzien onder titels als Liedjes van lang geleden, Rijmpjes en versjes uit de oude doos en Grootmoeders rijmpjes en versjes. Maar er is over Jan veel meer bekend dan in deze boeken is te vinden. Zo is hij bij voorbeeld nog een keer getrouwd geweest, en wel met Suzan. Ze vertelt het zelf:

Rolledobbedop

Mijn geld is op

Ik heb verteerd in 't Zwaantje

Mijn man heet Jan

En ik Suzan

En mijn kleinste kind Adriaantje

Jan blijkt ook een goede bekende te zijn van Kortjakje:

Jan mijne man was korenziek

In 't midden van de week maar zondags niet

zondags gaat hij een pintje drinken

en 's maandags ligt hij in bed te stinken

Deze twee rijmpjes waren ooit misschien net zo bekend als "Jan Huijgen in de ton' of "In Den Haag daar woont een graaf'. Het zijn bakerrijmen, door baker, vader of moeder aan het kind verteld, of kinderrijmen, soms eeuwenlang van kind op kind doorgegeven tijdens het spelen op straat. In de twintigste eeuw kennen we deze rijmen meestal niet meer uit mondelinge overlevering, maar uit boeken. Zelf ken ik maar een stuk of tien rijmpjes van horen zeggen, waaronder vooral korte als het vierregelige "Tararaboemdiee, de dikke dominee'. De twee geciteerde rijmpjes over Jan zijn nu waarschijnlijk minder bekend omdat ze minder vaak zijn opgeschreven. Misschien vonden de samenstellers van bloemlezingen ze niet zo mooi als de andere of door het onderwerp niet geschikt voor kinderen. In ieder geval staan ze niet in het meer dan een eeuw oude Baker- en Kinderrijmen van Johannes van Vloten. Uit dit boek hebben de samenstellers van latere bloemlezingen vrijwel allemaal geput.

Levensvuur

Johannes van Vloten (1818-1883), hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis en letterkunde te Deventer, begon aan zijn boek uit nostalgie, ter herinnering aan zijn eigen blije kinderdagen. Baker- en Kinderrijmen, dat voor het eerst in 1872 verscheen, was bedoeld voor kinderen én volwassenen. “Huist er dus ook de minste kinderzin in ons, vonkt er de flauwste sprank nog van 't oude levensvuur in ons binnenste, dan moeten die, bij het doorbladeren, verfrischt en verlevendigd worden, en ons opnieuw verjongen”, schreef hij in zijn voorwoord bij de eerste druk.

Van Vlotens studie is ook een uiting van de in de negentiende eeuw op gang gekomen belangstelling voor folklore, voor oude gebruiken en klederdrachten, voor volkstaal en volksliteratuur. In Engeland verscheen al twintig jaar eerder, in 1851, de eerste uitgebreide verzameling bakerrijmpjes, The nursery rhymes of England van de Shakespeare-geleerde James Orchard Halliwell. Van Vloten kende dit boek misschien. Zijn eigen studie is bijna net zo opgezet als die van Halliwell. De rijmen zijn in beide studies in categorieën als feestrijmen, vogelrijmen en raadsels verdeeld en er zijn aantekeningen over betekenis en ouderdom van de versjes opgenomen, al zijn die van Halliwell uitgebreider dan die van Van Vloten. Van Vloten was ook terughoudender in het interpreteren van het materiaal dan Halliwell. Het is ontroerend om te lezen dat een paar van de raadsels die hij in zijn boek opnam honderd jaar later nog steeds niet waren opgelost, zoals "Vijf harten, vijf starten/ en een prik in 't gat,/ rara wat is dat?' In een facsimile herdruk van Baker- en Kinderrijmen uit 1969 staat een verzoek aan de lezers om oplossingen in te sturen.

Uit het materiaal van Van Vloten en Halliwell is vaak geput voor het samenstellen van rijmboekjes om aan kleine kinderen voor te lezen. Een van de eerste in Nederland was het door de Amsterdamse joffer Nelly Bodenheim geïllustreerde Handje plak, voor het eerst gepubliceerd in 1900. James Orchard Halliwell heeft ook twee echte opvolgers gehad. Zij publiceerden in 1952 een boek dat het zijne in alles overtreft. Het is The Oxford Dictionary of Nursery Rhymes van Iona en Peter Opie. In dit prachtige boek staan in alfabetische volgorde 550 nursery rhymes. Onder elk rijm staan opmerkingen over betekenis en ouderdom, worden de gedrukte vindplaatsen vermeld en vergelijkbare versjes in andere talen geciteerd. Elk hoofdstukje eindigt met een alinea over het gebruik van regels en figuren uit de rijmen door dichters, politici en copywriters.

Ook de Belgen en de Duitsers hebben standaardwerken - de Belgen het iets minder prachtige maar wel degelijke, acht delen tellende Kinderspel en Kinderlust in Zuid-Nederland uit 1908 van A. de Cock en Is. Teirlinck. En wij? “Wij wachten nog altijd op een volledige verzameling met de meest verspreide varianten, de melodieën en, als het kan, de historie van ieder rijm afzonderlijk”, schreef D.L. Daalder in 1950 in Wormcruyt met suiker, Historisch-critisch overzicht van de Nederlandse kinderliteratuur.

Boekenoogen

Wij hadden zo'n boek wel kunnen hebben. Het had samengesteld en geannoteerd moeten worden door de taalgeleerde G.J. Boekenoogen. De twee rijmpjes over Jan komen uit zijn verzameling. Boekenoogen (1868-1930) begon als student met het verzamelen van deze orale poëzie. Hij plaatste daarvoor oproepen in kranten en tijdschriften. In 1892 schreef hij een artikel voor De Gids over "onze rijmen', dat een jaar later als boekje werd uitgegeven. Dit boekje van 73 bladzijden is bijna honderd jaar na verschijning nog steeds een van de meest uitgebreide verhandelingen over bakerrijmen in Nederland.

In het eerste deel van zijn artikel wil Boekenoogen bewijzen dat sommige rijmen al heel oud zijn. Soms laat de tekst van een rijm de leeftijd duidelijk zien, zoals "Hop Marjanneke,/ Stroop in het kannetje,/ laat de poppetjes dansen/ Eertijds was de Pruis in 't land/ En nu die kale Franschen'. Soms zijn de aanwijzingen verborgen. Het modern aandoende "Maar wat zal ik voor je kopen/ Al voor het nieuwe jaar/ Een heel mooi poppetje/ Met lang en krullend haar', stamt uit de Middeleeuwen, toen men elkaar ter gelegenheid van het nieuwe jaar cadeautjes gaf. "Witte zwanen, zwarte zwanen' is nog ouder. Het in dit rijm voorkomende Engeland is niet het Britse koninkrijk, maar Engelland, het Germaanse dodenrijk. De in veel rijmen voorkomende "Anneke met de lappen' zou de Germaanse doodsgodin zijn.

Volgens Boekenoogen verwijzen veel rijmen naar voorchristelijke tijden. Maar ook het christendom heeft mooie rijmen opgeleverd, zoals "Palm, palmpasen.' De drie laatste regels van dit rijm, "Eén ei is geen ei/ Twee ei is een half ei/ drie ei is een paasei', zijn een zinspeling op de heilige drieëenheid.

In het tweede deel van zijn artikel geeft Boekenoogen een overzicht van de verschillende soorten rijmen. Het zijn er veel: wiegeliedjes, liedjes bij het spelen met handen en voeten en bij het paardje rijden, vertelsels, dansliedjes, aftelrijmen, spotrijmen, raadsels, feestrijmen, werkliedjes en bezweringen. Het lijkt wel of men vroeger niets deed zonder er een rijmpje bij te zingen. Ook de volwassenen moeten veel gezongen hebben, want veel van de kinderrijmen zijn eigenlijk verbasterde liedjes van volwassenen. "Altijd is Kortjakje ziek' is het overblijfsel van een achttiende-eeuwse ballade over een oude vrouw die publieke toiletten schoonmaakte. Wie het volgende liedje voor de Pinksterbruid zongen, vermeldt Boekenoogen helaas niet:

Daar komt de vurige Pinksterblom,

Daar komt zij aangegangen

Met een schoon rozenhoedje op,

Al met twee bloeiende wangen.

Dit zingen de vogeltjes jong en oud,

Zij dansen en zij springen.

Allee, allee, als goud amathee,

Zoo fijn, zoo fijn als rozemarijn.

Pinksterblom is opgestaan,

Alleen, alleen naar bedde gegaan,

Al met twee bloeiende wangen,

Al met een gouden wagen,

Al met een gouden zweepstok,

Met een schoon rozenhoedje op,

En al mijn geld en goed is op.

Lui

Boekenoogen besloot zijn artikel met een oproep aan de lezers om hem nog meer rijmen te sturen. Hij was van plan een Nederlandsch Rijmenboek te laten verschijnen. Hij had voor deze "wetenschappelijke studie' al een uitgever gevonden, Sijthoff, die eerder Van Vloten had uitgegeven. Andere verzamelaars die zich bij Sijthoff aandienden werden daarom afgewezen. Een van hen was Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer, beter bekend als Nienke van Hichtum. Een deel van haar verzameling werd toch, zij het pas in 1936, uitgegeven, onder de titel Spel van moeder en kind.

De wetenschappelijke studie van Boekenoogen is er nooit gekomen. Had hij het te druk met zijn werk aan het Nederlandsch Woordenboek? Nee, zegt zijn biograaf J.W. Muller. Boekenoogen was lui.

Met zijn verzameling heeft de geleerde nooit meer iets gedaan. Hij heeft alleen in 1894 de bezorger van de vierde druk van Van Vloten wat tips gegeven, maar daarvoor geen rijmpjes uit zijn eigen collectie afgestaan. En hij hielp Nelly Bodenheim met het uitzoeken van rijmen voor Handje plak en het vervolg Het regent, het zegent.

De verzameling van Boekenoogen is, evenals die van Nienke van Hichtum en nog een paar anderen, na zijn dood in het Meertens Instituut voor Volkskunde in Amsterdam terecht gekomen. De verzameling bestaat uit 10.000 rijmpjes, per provincie gerangschikt. Ter vergelijking: in het boek van Van Vloten staan ongeveer 700 rijmen. Natuurlijk bevatten de dozen in het Meertens Instituut niet allemaal nieuwe rijmen. De meeste zijn oude bekenden, zoals "Naar bed, naar bed, zei Duimelot' en "Eun, deun dip'. Maar in de paar dozen die ik heb doorgekeken zat veel wat ik althans niet kende, zoals dit weerrijm uit Groningen:

Heeft gij een jong en spelend kind,

Bewaar het voor den Maartschen wind.

En voor April, die koude lucht,

Opdat het niet voortijdig kucht.

Minder lieflijk van toon is dit weerrijm uit Koog aan de Zaan:

Arie, God bewarie,

Voor regen en wind.

Als Arie getrouwd is

dan krijgt hij een kind.

Volgens Boekenoogen is het gebruikelijk dat de inhoud van de eerste en de laatste twee regels van een vers behalve het rijm niets met elkaar te maken hebben. Vaak komt dat doordat de gebruikers verschillende rijmen door elkaar haalden of samenvoegden. Maar er zijn ook rijmpjes die helemaal af zijn:

Goedenavond, juffrouw

'k heb een hekel aan jou

Goedenavond, mijnheer

En ik zie je nooit meer

Gekuist

Veel van de verzen in Boekenoogens verzameling zijn, zoals gezegd, varianten. Zij laten zien dat Van Vloten zijn materiaal gekuist moet hebben. In veel gevallen nam hij alleen de netste versie van een rijm op. Het vingerrijm over de man die een koe kocht en opat eindigt bij Van Vloten met: "en die man heeft er van geweten'. "Heeft hem uitgescheten' moet veel vaker gezongen zijn, zo blijkt uit de dozen van Boekenoogen. Ook op treurige rijmen was Van Vloten niet dol. Van "Uiver, uiver, pielepoot/ breng een kindje in mijn schoot/ 't Andere kindje is al dood/ Uiver, uiver, pielepoot' geeft hij alleen de eerste twee regels.

Een paar soorten rijmen zoals scheldrijmen zal Van Vloten uit kiesheid helemaal hebben weggelaten. Zo komt in de verzameling van Boekenoogen heel vaak het rijm voor: "Jood, breek je poot/ breek je nek/ Lust je een stukje varkensspek'. Drinkliedjes nam Van Vloten waarschijnlijk alleen op als ze niet als zodanig te herkennen zjn. Misschien ontbreekt daarom "Trim, tram, triterke/ Schenk mij nog een literke/ Schenk mij nog een pintje vol/ Anders wordt mijn kop niet dol'. Uit deze laatste twee blijkt eens te meer dat veel van deze rijmen oorspronkelijk niet voor kinderen gedicht zijn.

Op de papieren van Boekenoogen in het Meertens Instituut staat soms de naam van de inzender van een rijm genoteerd, bij voorbeeld de heer Heerikhuizen uit Lutjewinkel en F.G. Muller uit Amsterdam. Over deze inzenders is niet meer bekend. De correspondentie van Boekenoogen wordt in het Meertens Instituut niet bewaard. Wel ligt er de correspondentie van Nienke van Hichtum, die oproepen plaatste in Het Volk, vooral gericht aan onderwijzers. Op 10 juli 1904 schreef iemand uit Culemborg haar: “Ik ben geen onderwijzer, doch sigarenmaker en geniet de twijfelachtige eer om u te zeggen dat ik in een van de achterste der achterbuurten ben grootgebracht. Ik kan u dus echt onvertogen versjes meedelen. Mijn ouders zijn beiden analfabeet en hebben die liedjes van HUN ouders - dit als bewijs van echtheid.” Om welke liedjes het hier gaat is helaas niet meer te achterhalen.

Waar de bakerrijmen vandaan komen, doet er volgens sommigen niet toe. Wat ze betekenen en hoe oud ze zijn is evenmin belangrijk. Volgens Kees Fens zijn bakerrijmen de gevonden voorwerpen van de literatuur. Om een bakerrijm te waarderen is het soms inderdaad niet nodig er iets van te begrijpen. Maar vaak is de betekenis net zo bekoorlijk als de vorm. "Iene miene mutten' betekent bij voorbeeld een twee drie. Dat is niet zo bijzonder, maar het is wel bijzonder dat Keltische herders deze woorden gebruikten bij het tellen van hun schapen.

Aan de andere kant is het ook onzin om de rijmen enkel te waarderen omdat ze oud zijn en wijd verspreid, van Groningen tot Maastricht tot ver over de grenzen (wat weer een bewijs voor hun ouderdom levert). Dit deed Boekenoogen waarschijnlijk wel. Op de eerste bladzij van zijn opstel schrijft hij: “(-) waren die vaak zinloze rijmen plaatselijk of slechts tot een bepaalde streek beperkt - dichtproeven van een baker of kinderlijk gerijmel, dat opgang had gemaakt - dan zouden zij onze aandacht niet waard zijn.” Nog verder gaat Mellie Uyldert in Verborgen wijsheid van oude rijmen, als ze beweert dat het "oerlevens- en wereldbeeld' waar de westerse mens zich zo ver van verwijderd heeft, in de kinderrijmen gelukkig bewaard is gebleven.

Oote

Vernieuwingen in de twintigste-eeuwse poëzie hebben voor een andere waardering van de bakerrijmen gezorgd en het bakerrijm heeft deze eeuw op zijn beurt de poëzie gediend. Han G. Hoekstra en Ienne Biemans schreven beiden prachtige verzen geïnspireerd op de vorm van de bakerrijmen. Misschien is Jan Hanlo's gedicht "Oote', dat, zoals een neef van hem een paar jaar geleden in de uitgave van Hanlo's brieven bekend maakte, Hanlo's vader vaak in de huiskamer opzei, wel niet door deze vader bedacht, maar net zoiets als de populaire onzinverzen "Een deun dip' of "Epompee, poedenee, poedenaska'. En zou Annie M.G. Schmidt "Zeg juffrouw is die poes van jou/ Die daar op de schoorsteen zit/ Nee, dat is de mijne niet,/ De mijne die is wit' hebben gekend toen ze "Poes, poes, poes' schreef? Daarin komen onder andere deze regels voor: "Blauw, blauw, hemelsblauw,/ Melkboer, is die kat van jou/ De melkboer zei:/ Die kat is niet van mij'. Uiteindelijk blijkt de kat van een juffrouw te zijn. Paul van Ostaijens "Polonaise' ("Ik zag Cecilia komen') en J.H. Dèr Mouws "Gods wijze liefde had het heelal geschapen' lijken eveneens door bakerrijmen geïnspireerd te zijn.

De verzameling van Boekenoogen in het Meertens Instituut wacht nog steeds op bewerking. Zij wordt volgens medewerkers van het instituut ongeveer drie keer per jaar geraadpleegd door bloemlezers, die wellicht uitgekeken zijn op het bekende repertoire. Het verhaal van Jan zou zoveel langer kunnen zijn. Toch zal een deel van de rijmen uit zijn verzameling en uit de andere collecties die daar bewaard worden waarschijnlijk nooit in bloemlezingen voor kinderen worden opgenomen. Deze rijmen zijn daarvoor te schunnig of te gemeen - hoewel kinderen zelf juist graag vieze liedjes zingen. Daarnaast komen veel rijmen niet voor bloemlezingen in aanmerking omdat ze uit een dialect komen. Ze kunnen niet omgezet worden in ABN omdat het rijm dan verloren gaat. "Speulen' en "meulen' rijmt wel op elkaar, maar "spelen' en "molen' niet. Pogingen om zo'n versje toch in ABN om te zetten, heeft wel grappige resultaten opgeleverd, zoals

De poppen wilden niet spelen.

Toen ging hij naar de kameelen;

De kameelen draaiden tienmaal in het rond,

En Jan viel met zijn neus op de grond.

Alleen in bakerrijmen kunnen molens zo makkelijk in kamelen veranderen.

Misschien kan iemand anders Boekenoogens werk afmaken en de wetenschappelijke studie die hem voor ogen stond, alsnog laten verschijnen. Een boek dat interessant zal zijn voor, zoals De Cock en Teirlinck in hun Kinderlust vermeldden, de mytholoog, de historicus, de taalgeleerde, de musicoloog, de opvoeder en de liefhebber van poëzie.

    • Bianca Stigter