Moe en der dagen zat; Verhalen van jonge schrijvers

Max. 36. Verhalen van jonge schrijvers samengesteld door Jessica Durlacher. Uitg. Bert Bakker, 244 blz. Prijs 24,90.

Als je af mag gaan op de bundel Max. 36, waarin Jessica Durlacher 22 verhalen van jonge schrijvers verzamelde, dan ziet het er somber uit voor onze literaire toekomst. Helemaal maatgevend zal de bundel niet zijn, want net als zijn twee jaar geleden verschenen voorganger 25 onder 35, wekt hij niet de indruk na een zorgvuldige selectie tot stand te zijn gekomen. Daarvoor verschillen de verhalen onderling teveel in kwaliteit.

Eén ding wordt in elk geval duidelijk. De jonge schrijver is behoorlijk oud. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 32. Maar pijnlijker is het dat hij - in maar twee gevallen is hij een zij - zo weinig blijk geeft van een jonge geest, of van een jeugdige of vernieuwende instelling. Moe en der dagen zat, dat is het beeld dat van de jonge schrijver oprijst uit deze bundel. Veelzeggend lijkt het mij dat het eerste en het laatste verhaal, van respectievelijk de senior (Chris Bos) en de junior (Hermine Landvreugd) van het gezelschap, nogal op elkaar lijken. In beide verhalen wordt een ongezellige verjaarsvisite beschreven: smaak- en kraakloze geschiedenisjes die zomaar ergens beginnen en ook nergens naar toe willen. Men zit erbij en kijkt ernaar, zo laat zich de gelaten sfeer omschrijven die in veel verhalen voelbaar is.

In haar voorwoord probeert Jessica Durlacher een aardige draai te geven aan het weinig opzienbarende karakter van de bundel. Op zevenmijlslaarzen stapt ze daarbij door de twintigste eeuw: eerst had je het modernisme, daarna het postmodernisme dat de werkelijkheid geheel verduisterde en nu, ”na de zondvloed', zijn we daarvan aan het bijkomen. ”Wat er nu kennelijk beweerd wordt', zo luidt haar nogal onhelder geformuleerde conclusie, ”is dat de organisatie van de wereld zo'n schimmenspel is geworden en het postmoderne schrijven zo eindig gebleken is dat schrijvers zich (-) nog slechts dienen te engageren met het heel nabije en gewone, dat altijd al bestond en gebruikt werd maar nu, na de zondvloed, klaarblijkelijk de enige oplossing geacht wordt.'

Nabij en gewoon zijn de meeste verhalen in Max. 36 zeker, maar geëngageerd? Dat lijkt me wel een erg groot woord voor het tobberige en futloze realisme dat hier bedreven wordt, of het nu over ”damesneuken', telefoonseks, duiven of over het boekenbal gaat. In een melig soort Hollands Dagboek stelt Reve-epigoon Herman Brusselmans zich tussen twee katers door de prangende vraag of hij ”ooit nog een boek zou kunnen schrijven, een boek over wat me bezighoudt, een boek over belangrijke dingen, dus alweder een boek over het Leven Zelve.' Brusselmans houdt zich naar eigen zeggen niet alleen volop bezig met het Leven, maar ook met de Dood, die hij Het Raadsel noemt. Net als de meeste van zijn collega's stelt hij zich intussen al dik tevreden met wat hij wèl kan zien en horen.

Een verademing vormt het handjevol verhalen dat werkelijk iets te raden overlaat en althans een suggestie van eigenzinnigheid verraadt. In een bundel die het zo van de normale orde moet hebben, gaat de sympathie vanzelf uit naar alles wat er ook maar enigszins buiten valt. Dat de hoofdpersoon van het verhaal van Henk Pröpper bijvoorbeeld gek is, nam mij meteen voor hem in. ”Het is goed toeven in het grote huis', overpeinst de man. ”Het heeft alleen het nadeel dat er zoveel mensen wonen waaronder enkele die behoorlijk vreemd zijn.' Opmonterend is ook het rechtbankproces dat Atte Jongstra een verhaalfiguur tegen zichzelf laat aanspannen en prettig mysterieus het moderne sprookje van Peter Bekkers, waarin behalve een psychiater, een filosoof, een onderzoeksrechter en een stotteraar loodzware vliegen optreden. En wie zou niet graag de korte autobiografie lezen die Koen Peeters namens Patrice Lumumba schreef? Lumumba stierf na een korte regeringsperiode in Belgisch Kongo een wrede marteldood, maar wordt hier in staat gesteld er alsnog commentaar bij te leveren. Want die mogelijkheid bestaat nu eenmaal in de literatuur. ”Ik ben niet alleen', laat Peeters hem triomfantelijk zeggen. ”Ik zal niet verdwijnen in de mist van miljarden mensen. Ik overleef in Afrika, in Washington, Parijs en Brussel. Ik overleef in foto's, glimlachend, handen drukkend, redenerend met vrienden die me verloochenden en vermoordden.'

    • Janet Luis