Kabinet verloochent zijn intentie met grotere "wig'

DEN HAAG, 9 OKT. Hoewel het kabinet voortdurend pleit voor verkleining van "de wig', het verschil tussen bruto loonkosten en netto loon, gaat het zelf in 1994 die wig blijvend met 1 procentpunt vergroten. Het laagste tarief van de loon- en inkomstenbelasting wordt in dat jaar 1 procentpunt hoger vastgesteld dan bij het aantreden van het kabinet de bedoeling was.

Het kabinet had in 1990 geld gereserveerd om deze belastingverhoging te voorkomen. Een deel van dat geld is echter al in 1991 en 1992 gebruikt om het financieringstekort te verkleinen. Ook in 1993 zal een deel van de reservering gebruikt worden voor verkleining van het tekort op de begroting.

Dat in 1994 sprake is van een blijvende lastenverhoging in de eerste belasting- en premieschijf blijkt uit een bijlage van de Miljoenennota.

Het gaat om een nogal gecompliceerde zaak die voortvloeit uit de Oort-operatie (belastingverlaging en -vereenvoudiging) van 1990. Het kabinet wilde in dat jaar op basis van de voorstellen van de commissie-Oort de eerste schijf van de loon- en inkomstenbelasting (tarief toen 7 procent) combineren met alle premies van de volksverzekeringen (28,1 procent), waaronder de premie voor de AAW/AWW ( de volksverzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en inkomensderving door overlijden). Daar kwam veel verzet tegen omdat ook bejaarden dan premie zouden moeten betalen voor de AAW, zonder dat ze enig recht zouden kunnen doen gelden op voorzieningen uit deze volksverzekering.

Gekozen is toen voor een ingewikkelde constructie. In afwachting van een regeling die recht zou doen aan de eisen van de bejaarden, werd besloten de AAW-uitgaven voorlopig te betalen uit de belastinggelden. Het premiedeel van de eerste gecombineerde belasting- en premieschijf kon daardoor met 6 procentpunt dalen. Het belastingtarief in de eerste schijf ging met 6 procentpunt omhoog naar 13 procent. Zodra een oplossing zou zijn gevonden voor het "bejaardenprobleem' zou deze verschuiving in de financiering worden teruggedraaid.

Het kabinet reserveerde bij zijn aantreden voor de betaling van de AAW-uitgaven 14 miljard gulden rijksbijdrage in 1990. Dit gereserveerde bedrag liep op naar 17,5 miljard gulden in 1994. In 1991 en 1992 gebruikte het kabinet 2 miljard gulden van dit gereserveerde geld voor beperking van het financieringstekort. Omdat de AAW-uitgaven conform de ramingen uit 1990 bleven stijgen, was de rijksbijdrage in deze jaren onvoldoende om die uitgaven te dekken. Dat uitte zich in premieverhogingen. Hier begon al een sluipende vergroting van de wig.

Volgend jaar wordt volgens de Miljoenennota 1993 hetzelfde gedaan. Opnieuw wordt de in het begin van de kabinetsperiode afgesproken bijdrage aan het AAW-fonds beperkt ten gunste van het financieringstekort. Opnieuw leidt dat tot hogere sociale premies. De sluipende vergroting van de wig via de sociale premies wordt in 1994 in een definitieve vergroting omgezet. In 1994 wordt het "bejaardenprobleem' in de AAW opgelost. De gewone invaliditeitsvoorzieningen zullen niet meer via de AAW worden verstrekt, maar via de gemeenten en de AWBZ. Bejaarden krijgen dan dezelfde rechten op deze voorzieningen als andere burgers.

Dit heeft tot gevolg dat in 1994 de oorspronkelijke financiering van de AAW (uit premies) wordt hersteld. De AAW/AWW-premie die in 1994 nodig is om de uitgaven te dekken bedraagt ruim 6 procent. De wig zou gelijkblijven wanneer de tariefsverhoging in de loon- en inkomstenbelasting van 6 procentpunt in 1990 ongedaan zou worden gemaakt. Het kabinet komt daarvoor echter ruim 2 miljard gulden tekort; het bedrag uit de reserveringen dat aangewend is om het financieringstekort te beperken. Daarom wordt in een bijlage van de Miljoenennota 1993 aangekondigd dat het belastingtarief slechts met vijf procent wordt verlaagd. Wat de burger aan de AAW-verschuiving overhoudt is dus een verhoging van het tarief van de loon- en inkomstenbelasting met 1 procentpunt, die niet wordt gecompenseerd.

Minister Kok (financiën) legt juist in zijn nieuwe Miljoenennota veel nadruk op het belang van beperking van het verschil tussen bruto en netto loon voor de individuele burger. Dit verschil is in Nederland groot vergeleken met omringende landen. Volgens Kok belemmert dat grote verschil in ons land de deelname aan het arbeidsproces.

Met ingang van 1994 zal het kabinet 0,9 miljard gulden per jaar moeten storten in het gemeentefonds ten behoeve van de verstrekking van AAW-voorzieningen door de gemeenten. Ook daarvoor is geen geld gereserveerd. Volgens de Miljoenennota kan het kabinet in 1994 nog zonder problemen aan zijn verplichting tegenover de gemeenten voldoen, maar uitsluitend omdat het in dat jaar op kasbasis nog wat geld overhoudt aan de verschuiving van de AAW-financiering van belastingen naar premies.

Het kabinet laat echter zijn opvolger met een gat in de financiering zitten van een kleine miljard gulden. Dat is niet alles. Uit een staatje in de Miljoenennota blijkt dat ook voor de geplande belastingverlaging met 5 procentpunt in 1994 na dat jaar onvoldoende structurele financiële dekking bestaat. In dit geval is 0,7 miljard gulden te weinig gereserveerd. Een nieuw kabinet begint daardoor met een gat in de begroting van in totaal circa 1,6 miljard gulden. De minister van financiën kondigt dan ook in de betreffende bijlage van de Miljoenennota aan, dat “na 1994 van de AAW-operatie een tekortverhogend effect uitgaat”.