Het onfatsoen aan de macht; De brieven van Willem Walraven

Brieven, aan familie en vrienden 1919-1941 door W. Walraven, met een inleiding van F. Schamhardt. Uitg. Van Oorschot, tweede vermeerderde druk, 948 blz. Prijs ƒ 125,-

Door een samenloop van omstandigheden ontbreekt in mijn Oostindisch kampsyndroom een hoofdstuk over een schrijver in wiens visie op Nederlands-Indië ik altijd mijn eigen herinneringen heb herkend en bevestigd gezien: Willem Walraven. Vooral Walravens beschrijvingen van het soort Nederlanders dat in Indië de boventoon voerde, en over wie nu gedaan wordt of zij nooit hebben bestaan, zijn in mijn ogen authentiek en overtuigend.

"Dit verhaal is uit de wereld der blanke Indischen,' schreef hij op 5 Juli 1941 in een brief aan Nieuwenhuys (Brieven, Van Oorschot 1966, blz 815). "De harde menschen met de harde oogen, die zeggen "toen ik uitkwam', waarmee zij dan bedoelen, "toen ik weer in Indië terugkwam, na in Europa op school te zijn geweest'. Het fascisme ligt hun van nature...

...Men kan hen alleen beoordelen, als men hun houding tegenover Kromo [i.e. de Javaan, de inlander] heeft geobserveerd. Kromo beteekent toch eigenlijk niets, maar het hondje!! Hier moet je niets planten hoor, want hier ligt mijn hondje begraven'. Maar "die meid' en "die vent', "die Inlanders'...

Zo brutaal als de beul. Hun idee van het Europeaanschap is ijzingwekkend, omdat je bemerkt dat zij helemaal niet begrijpen hoe zij een ondergaande klasse vormen. De kalme ernst waarmee zij aannemen dat iedereen dit koloniale leven precies zoo ziet als zij, is om te huiveren. Hoe wreed zij ook zijn, toch zijn ze dom en zelfs argeloos in die dingen. Zij begrijpen het niet. Maar de Inlander moet er onder blijven, al krijgt hij ook boorwater en jodiumtinctuur in overvloed.'

Winkels

Dit gaat in feite over oude Hollandse families in Indië, maar de opvattingen die Walraven hier beschrijft waren zoals ook Nieuwenhuys opmerkt algemeen; de laatste zin geeft in een soort kortschrift weer wat ik vaak geprobeerd heb te omschrijven, namelijk de tragische omstandigheid dat de koloniale overheersing aan de ene kant de vooruitgang bracht, terwijl aan de andere kant de verworvenheden ervan de Indonesiërs werden onthouden - herinnerend aan die winkels met allerlei luxe-artikelen voor buitenlanders in de communistische landen, waarvan de bevolking alleen de etalage kon zien. Vooral in de sociale betekenis: gelijkheid, burgerrechten, loon naar prestatie, democratie, al die begrippen kwamen met het kolonialisme mee, maar waren voor Indonesiërs onbereikbaar.

Uit alles blijkt dat Walravens huwelijk met een "inlandse vrouw' wat dat betreft zijn ogen had geopend. "Ik verzeker je,' schreef hij aan Nieuwenhuys, "dat het niet meevalt als totok in Indië te leven met een Inlandse vrouw. Dan kom je heel wat tegen, ben je overal buitengesloten, onderga je beleedigingen en vernederingen, niet van de beste menschen uit het publiek, natuurlijk, maar van het Indische plebs in de eerste plaats. Allereerst van de blanke Indischen, speciaal de vrouwelijke.'

Vooral dat laatste is iets dat in de tempo doeloe-nostalgie stelselmatig uit het beeld is weggeretoucheerd. Het aandeel van de koloniale dames in de minder plezierige aspecten van de Indische samenleving (en later in de internering) zou, zoals ik al vaker heb betoogd, een vruchtbaar onderwerp kunnen vormen voor de zg. "vrouwenstudies', maar daar is in die kringen merkwaardig genoeg geen belangstelling voor. Al in de zeventiende eeuw werden in Batavia (blanke) vrouwen veroordeeld voor het mishandelen van slavinnen; tot in de negentiende eeuw komt men verwijzingen tegen naar "de algemeene strengheid en onmeedogendheid, die men bij de meeste Oost-Indische vrouwen jegens de slaavinnen bespeurt' (Van Hogendorp, de schrijver van Kraspoekol).

Self made man

Ook Walraven komt er telkens op terug: "En de vrouwen zijn wreeder dan de mannen,' vervolgt de passage waaruit ik hierboven citeerde, "maar dat zijn ze bij ons ook. Kipling heeft eens een gedicht gemaakt met den telkens weerkerenden slotregel: "For the female of the species is more deadly than the male'.' Steeds wanneer er sprake is van de koloniale mores vestigt Walraven er de aandacht op. Een voorbeeld is deze passage over een zekere L.C. Admiraal, schrijver van een boek getiteld Veertig Indische jaren, een karakteristieke vertegenwoordiger van het type self made man dat in Nederlands-Indië zo bewonderd werd ("ruwe bolster blanke pit'): "..De heer Admiraal slaat zich op de breede borst en zegt: "Ik heb geen medicijnen gestudeerd en toch kan ik iedereen genezen van den hik'. Wij kennen het type. Reeds Bas Veth heeft het beschreven... [hij] dronk met volle teugen de moraal in van dien tijd, zoals die werd gepredikt aan de bittertafel in de soos, in het hotel van Moeder Zus-of-zoo, op Delische hari-besars en door Wybrands in zijn krant [...] De Inlander was volgzaam en gedienstig; hij verdroeg ongelooflijk veel van zijn gebieders, en niet minder van de vrouwelijke daaronder. De heer Admiraal waardeert den Inlander in hooge mate, maar hij moet natuurlijk "zijn plaats weten'.'

Deze laatste woorden lagen de Nederlanders in Indië in de mond bestorven, maar dat wil zich nu niemand meer herinneren. Het geschiedbeeld van Nederlands-Indië wordt meer en meer geretoucheerd; daarom is het nuttig dat de Brieven van Walraven onlangs zijn herdrukt (2e vermeerderde druk, Van Oorschot 1992). Indië, dat was het onfatsoen aan de macht, en het is eigenlijk alleen door de kritische ogen van een Du Perron, van een kankeraar als Walraven dat men er een min of meer natuurgetrouw beeld van krijgt. Aan het kankeren als genre - ik heb een passage daarover eens als motto in een van mijn boeken gebruikt - zijn uiteraard ook nadelen verbonden; Jan Fontijn (VN 20-7-92) heeft Walraven terecht vergeleken met Céline: "die hield er ook onmogelijke ideeën op na'; er is dus toch weer een zeker vermogen tot onderscheid voor nodig om te herkennen wat bij Walraven beschrijving van de werkelijkheid is en wat pure paranoia.

Zoals sommige passages over Indo's (hoewel hij ook daar dingen over zegt die nu stelselmatig verzwegen worden en toch onder ogen moeten worden gezien; wat Walraven de Indo's in feite kwalijk nam was dat zij zich boven de Indonesiërs verheven voelden). Maar het kost mij geen moeite om zijn persoonlijke denkbeelden daarover af te doen als irrelevant; wat ik veel moeilijker vind is dat hij au fond niet van Indië hield. Daar weet ik geen raad mee, dat is voor mij onbegrijpelijk. Of nee, het zit dieper: eigenlijk geloof ik hem niet; het was een haat-liefde verhouding, dezelfde als met zijn kinderen.

    • Rudy Kousbroek