Het laatste restje hogere honing; Willem Jan Otten over lust en liefde

Willem Jan Otten: De wijde blik. Uitg. G.A. van Oorschot, 177 blz. Prijs ƒ 29,90.

In zijn essay Denken is een lust merkt Willem Jan Otten en marge op "dat het onderzoek naar de lusthuishouding van blinden nog in de kinderschoenen staat'. In zijn nieuwe roman onderneemt hij een poging tot omschrijving van die huishouding. De conclusie lijkt veel op die van het essay: er is geen fragieler idee dan liefde. Onze driften zijn wezenlijk trouweloos, uit op de uitwissing van onze identiteit: een man bemint een vrouw. De belofte van eeuwige trouw is weinig anders dan een poging om die identiteit terug te krijgen. De horror van de inwisselbaarheid moet worden opgeheven. "Van deze horror iets maken waar we met ons verstand bij kunnen, heet liefde: de bezwering der bezweringen; het laatste restje hogere honing; het eerste beetje houvast.'

Essay en roman lijken erg op elkaar, beiden gaan over lust en liefde, kijken en gezien worden. Aanvankelijk zijn de metaforen van het oog - scheelheid en blindheid, spiegels en film - zo overdadig aanwezig en worden ze zo nadrukkelijk verankerd in de lust dat de roman een illustratie van een gedachte dreigt te worden. Denken mag een lust zijn, het is ook een vorm van blindheid. In haar gedicht "Erklär mir, Liebe', vraagt Ingeborg Bachmann zich af: "moet ik de korte angstwekkende tijd slechts met gedachten omgang hebben en alleen niets lieflijks kennen en niets lieflijks doen? Moet iemand denken? Wordt hij niet gemist?'

De verhouding tussen Susan en Lex die in dit boek centraal staat, bloot staat ook aan het wederzijds huwelijksbedrog dat in het denken van Otten de vrijwel onvermijdelijke resultante van de lust is, begint met een veelzeggende scène. Gewoon elkaar in de dierentuin, bij de apen, te ontmoeten, ziet Lex op een dag Susan in het huis van de mensapen zitten en observeert hij haar. Susan in haar jurkje van klaprozen weet niet dat hij naar haar kijkt. Na een tijdje dringt het tot Lex door dat Susan zich er wel degelijk van bewust is bekeken te worden, zij het niet door hem. Wat eerst lijkt op een toneel met daarop een actrice die het duister van de coulisse (het hok) in keek, moet een kwartslag gedraaid worden: "ik bevond mij in haar coulisse, als een verstomde souffleur, terwijl haar publiek recht tegenover haar zat.' Dat publiek, dat bij het weggaan een handkus toegeworpen krijgt, blijkt een immense en onverschillige orang-oetang te zijn, evenbeeld van de man met wie Susan, voordat ze Lex leert kennen, een kortstondige verhouding heeft en voor wie ze Lex ook weer zal verlaten.

In de tussentijd heeft Lex een zuiver erotische verhouding met een zekere Joan en is Susan door een val op haar stuitje blind geworden. Die volgorde is van belang. Susan heeft, zo dacht Lex, van zijn verhouding met Joan geen weet gehad. "Waarom moest Susan, die ziende zo blind had kunnen zijn, ook nog letterlijk blind worden?' Dat is voor hem een schaamte teveel. Schaamte is een wezenlijk onderdeel van de lust, het is een van de middelen waarvan de fantasie zich bedient in het spel van de beheersing dat de lust is. De letterlijke blindheid is echter te veel: Lex maakt een eind aan zijn verhouding met Joan.

Pas als hij dat gedaan heeft, komt hij tot de ontdekking dat Susan zich wel degelijk bewust geweest is van zijn verhouding. Ze had het gevoel niet meer door hem "gezien' te worden. Dat was de reden dat ze weer toenadering zocht tot Victor Rozemond, de aap: de aap voor wie ze gedaan had wat Lex haar altijd had willen vragen: "Ga tegenover me staan, en laat me kijken als je je handen in je nek legt. Heb je klaprozen aan en word een beeld en weet dat ik kijk en laat me, laat me kijken.'

Drama

Susan, die blijkens de scène met de aap heel goed besefte dat daarin de erotiek gelegen is, koos voor de liefde. Daarom koos ze voor Lex en brak ze met Rozemond: "Victor leeft om te kijken wat voor drama hij oplevert, niet om te weten wat voor leven hij leidt', zegt ze tegen Lex aan het begin van hun verhouding. Aan het eind ervan, ziende geworden door haar blindheid, kiest ze voor het drama. "Terwijl ze zich uitsprak, steeds kalmer, steeds vastberadener, wist ik dat ik keek naar degeen die ik nooit was geweest. Iemand voor wie uitspreken hetzelfde is als kiezen en kiezen hetzelfde als verlangen. Ze kon niet zien hoe ik keek. Blinder is ze nooit geweest, doorschijnender zal nooit iemand zijn. Te zichtbaar. Te naakt.'

Zo eindigt deze dialectiek van lust en liefde, van blindheid en zien, in eenzaamheid. Een eenzaamheid die vrouwen en mannen delen, blinden en zienden. Had de essayist Otten aangetoond dat er, met betrekking tot de pornografische zucht, geen wezenlijk verschil bestaat tussen mannen en vrouwen, in zijn roman houdt hij staande dat er tussen de "lusthuishouding' van blinden en zienden evenmin een essentieel verschil is. Voor beide valt er tussen de liefde en de lust niet te marchanderen. Dat is het halfwassen willen waarvoor de essayist zo'n minachting heeft, "een erotiek van de overeenstemming, die de begeerte uiteindelijk zal verlammen'.

Ik ben aan deze roman begonnen met een zekere argwaan. Vanaf Een Zwaluw vol Zaagsel, dat wil zeggen vanaf 1973, volg ik met bewondering het dichterschap van Otten. Zijn poëzie is van een precisie van perceptie die in Nederland zijn weerga niet kent. Alle zintuigen tintelen en niet denken maar waarnemen is er een lust. Een man van horen zeggen, zijn roman uit 1984, had prachtige momenten, zeker, maar het essayistisch aspect ervan en het feit dat Otten herhaalde malen zijn eigen spelregels overtrad, stelden teleur. Het essay over pornografie was mooi en consistent, maar was niet voor mij geschreven. Als De wijde blik essay en roman wilde vermengen, stemde dat sceptisch.

Van die scepsis is niets over. Essay en roman zijn in dit boek op indrukwekkende manier versmolten en al deel ik de ideeën niet, door de werkelijkheid van de roman werd ik volledig overtuigd. En dat komt zeker ook doordat hier een schrijver aan het woord is met al zijn voelsprieten in een synestetisch genoegen - handen peuzelen, kijken kan hardop - dat op elke pagina oplicht. De wanhoop van het lichaam wordt weergegeven via een feest van de zintuigen. Wat voor de ik-figuur aan het eind van het boek niet meer zichtbaar is, werd voor ons op overtuigende manier gestalte gegeven.

    • Willem Otterspeer