Europese integratie is van middel tot doel geworden

In augustus 1954 legde de Franse Assemblée Nationale het Ontwerp Verdrag voor een Europese Defensie Gemeenschap (EDG) terzijde en ging over tot de orde van de dag. Op 20 september jongstleden sprak het Franse volk zich bij referendum met een kleine meerderheid uit voor het Verdrag van Maastricht. De twee gebeurtenissen, die onvergelijkbaar zijn wat de gevolgde procedures en hun uitslag betreft, betekenden beide een schok voor het Europese integratieproces.

Tussen de Europese situatie van 1954 en die van nu bestaan opvallende overeenkomsten. De tijd van toen was vol onzekerheden, toegespitst op een nijpend veiligheidsprobeleem: de Sovjet-Russische dreiging werd in Westelijke hoofdsteden zo ernstig gevonden dat een Duitse herbewapening nodig werd geacht. Deze impopulaire maar onvermijdelijke stap was in de toenmalige omstandigheden uitsluitend denkbaar op basis van een supranationale vorm van samenwerking: een "Europese Defensie Gemeenschap'. Het Franse Parlement bleef echter steken in een debat van traditioneel nationale toonzetting.

Soortgelijke nationalistische gevoelens heeft het Verdrag van Maastricht nu in diverse EG-lidstaten opgeroepen, en dat terwijl Europa opnieuw een tijd van grote onzekerheden beleeft. Het veiligheidsprobleem heeft weliswaar zijn acute karakter verloren, maar de economie wankelt op haar grondvesten en de politieke horizon is vol risico's en gevaren. Opnieuw ligt er een ambitieuze Europese integratie-conceptie ter tafel, en weer is er twijfel, aarzeling of ruzie op een moment dat de noodzaak tot Westeuropese cohesie groter is dan ooit tevoren.

Er zijn behalve overeenkomsten ook verschillen tussen toen en nu. De Westeuropese integratie van de jaren vijftig was deels het resultaat van Europees denkwerk en Europese flair, maar in belangrijke mate ook van Amerikaanse druk. Washington zette zich begin jaren vijftig actief in voor de totstandkoming van de EDG en na de mislukking daarvan voor de Europese economische integratie, de EEG. Aan de steun kwam pas een einde onder Nixon en Kissinger, eind jaren zestig, begin zeventig. Het vraagstuk van Duitslands herbewapening was inmiddels geruisloos opgelost binnen het kader van de NAVO. Het vacuüm, dat het falen van de EDG dreigde te creëren, kon mede dank zij Amerikaanse bemoeienis met Europa worden vermeden.

Nu ontbreekt de Amerikanse druk achter het Europese-integratieproces. De Atlantische inslag van het Amerikaanse buitenlandse beleid heeft na het terugtreden van de andere supermogendheid plaatsgemaakt voor een meer wereldomvattende benadering, waarin voor Europa geen speciale plaats is ingeruimd; de EG wordt in Washington veeleer als een lastige evenknie beschouwd. De schok, veroorzaakt door het Deense nee en de onbevredigende uitslag van het Franse referendum, moet nu door de EG zelf worden opgevangen, maar is zij daartoe bij machte?

Dit is een wezenlijk punt van de naoorlogse geschiedenis van Europa. De Amerikaanse steun aan de Europese integratie hing samen met de Koude Oorlog. De EDG en de EEG pasten in de Amerikaanse conceptie van een sterk West-Europa als bolwerk tegen de ambities van de Sovjet-Unie en vooral als middel om Duitsland voor de democratie te behouden. De EDG heeft gefaald, de EEG werd een succes, zodanig zelfs, dat twee essentiële aspecten nu bijna zijn vergeten.

Ten eerste was juist de dood van de EDG de oorzaak van de geboorte van de EEG. Het Benelux-initiatief tot economische integratie van dezelfde zes Westeuropese staten, die het EDG-Verdrag (en ook het Verdrag inzake een Europese Kolen en Staal Gemeenschap) hadden ontworpen, bood toen de enige uitweg uit de impasse. Weinigen beseffen nog dat zonder het Franse nee van 1954 de EG er waarschijnlijk niet zou zijn gekomen.

In de tweede plaats heeft het succesverhaal van de Europese economische integratie geleidelijk doen vergeten, dat de EEG een kind van de Koude Oorlog was. De voortzetting van de integratie ging gepaard met een afnemend besef van de ratio ervan: bij te dragen aan de Atlantische kracht en cohesie. Hier ligt het wezenlijke verschil tussen 1954 en 1992: de integratie is van middel tot doel geworden.

Hoewel het fundament van de EG is aangetast nu de Koude Oorlog voorbij is, heeft zij verworvenheden van zodanige betekenis en allure opgebouwd, dat zij ondanks alle interne conflicten met recht een autonoom bestaan kan claimen. Maar dat is niet genoeg. De ontredderde toestand, waarin het Verdrag van Maastricht de EG heeft gestort, vraagt om meer. Evenals in 1954 dreigt er opnieuw een politiek vacuüm in Europa te ontstaan, als de lidstaten er niet in slagen het tij te keren. Het gevaar ligt in het bedenkelijke scenario, dat zich helaas reeds begint af te tekenen: een politiek-strategische verschuiving van zwaartepunten; een Duitsland, dat geen anker meer vindt in de EG; een toenemende oriëntering van het Duitse denken en doen op Midden- en Oost-Europa; een Bondskanselier Kohl, die als epigoon van Konrad Adenauer houvast voor een Europees Duitsland zoekt in onderonsjes met president Mitterrand en daarmee ongewild de EG-cohesie verder op het spel zet; een Europese Commissie die op haar laatste benen loopt; anderzijds een Amerika, dat zich, nu de Koude Oorlog tot verleden tijd is verklaard, verder van Europa distantieert; kortom, een scenario, dat in de beste dagen van Michail Gorbatsjov stellig tot zijn stoutste dromen behoorde - en nu misschien nòg behoort.

Wat is nu het wezenlijke probleem van de Europese integratie? Niet de vraag, of het Verdrag van Maastricht onverkort moet worden gehandhaafd dan wel geamendeerd of van protocollen voorzien, of eenvoudig in de archiefkasten moeten worden gelegd. Dit is bijzaak. Wie zich in het lot van dit Verdrag vastbijt, doet als diegenen in de grot van Plato, die de schaduwen op de wand voor werkelijkheid houden.

Waar het bij het Verdrag van Maastricht om gaat, is dit: evenals de Europese economische integratie van de jaren vijftig geen doel op zichzelf was, doch een middel om een politieke doelstelling van hogere orde te bereiken, moet men het Verdrag niet als een doel op zichzelf zien, maar als een mogelijk middel voor het realiseren van een politieke doelstelling. De kernvraag waarvoor de Europese Gemeenschap zich vandaag gesteld ziet, is: hoe kunnen de onverwacht grote moeilijkheden van de Duitse vereniging worden overwonnen onder gelijktijdige handhaving van zowel de EG-samenhang als de Atlantische cohesie, die voor het politiek stabiele Europa onontbeerlijk is?

Hiermede is het hoofdmotief gegeven van wat het buitenlandse beleid van de individuele lidstaten zou moeten zijn. De vertaling ervan in praktisch beleid is een hoogst urgent, ook omdat begin november een nieuwe Amerikaanse president wordt gekozen, die met nieuwe initiatieven zal willen komen, ook op het gebied van de buitenlandse politiek, en er tezelfdertijd een nieuwe Europese Commissie zal aantreden.

De paradox van de geschiedenis van de EG is, dat zij zich een positie van groot gewicht in de wereldhuishouding heeft verworven, waar vele andere landen met ontzag naar opzien, maar dat de Gemeenschap als zodanig nimmer kans heeft gezien om zich actief als machtsfactor te doen gelden. De EG heeft geen buitenlands beleid dat die naam verdient. Veel lidstaten evenmin. Maar zij zullen de lacunes moeten opvullen. Lukt dat niet via het Verdrag van Maastricht, dan moeten andere middelen worden gevonden. Net als in 1954 is het wachten op initatieven van staatsmansallure.

    • J.H. Lubbers
    • onder Andere in Washington