Een imponerende arme drommel; De omzwervingen van de Portugees Fernao Mendes Pinto

Na ruim twintig jaar zwerven door het Verre Oosten schreef de zestiende-eeuwer Fernão Mendes Pinto het boek Pelgrimsreis, dat onlangs werd vertaald en dat de vraag oproept waarom het destijds niet werd verboden. Er wordt indirect veel kritiek geleverd op de handel en wandel van Portugezen in den vreemde.

“Het is de mengeling van eenvoud, gespeelde onschuld, cynisme, opportunisme, impliciete kritiek en ook een waarachtig openstaan voor het vreemde, die deze geschiedenis tot zo fascinerende lectuur maakt.”

Fernão Mendes Pinto: Pelgrimsreis. Vertaald door Arie Pos. Uitg. De Prom, 679 blz. Prijs ƒ 85,-

Het is niet elke dag dat we een literaire gebeurtenis mogen begroeten. Dat de Peregrinacão van Fernão Mendes Pinto in Portugal het bekendste boek is na de Lusiadas van Camões, zal ons misschien weinig zeggen, omdat ons van de hele Portugese literatuur weinig bekend is. Van nu af aan zal het ons echter wél wat moeten gaan zeggen, omdat dit ook buiten Portugal als klassiek erkende boek sinds kort onder de titel Pelgrimsreis verkrijgbaar is in een voorbeeldig uitgegeven integrale vertaling.

Wat is dit dan wel voor bijzonder boek waar weinigen van hebben gehoord? Eerst even de schrijver; van hem is minder te vertellen, inzoverre hij niet zijn boek is. In elk geval is het zijn enige. Hij was ook feitelijk geen schrijver, hetgeen de leesbaarheid van zijn boek niet weinig bevordert. Objectief en met zekerheid is weinig van hem bekend.

Fernão Mendes Pinto leefde van 1509 of 1511 tot 1583. Dat hij, zoals hij beweert, van armoedige afkomst was, wordt in twijfel getrokken. Over een eventuele joodse afkomst wordt getwist. Eenentwintig jaar lang, van 1537 tot 1558, heeft hij in het Verre Oosten gezworven, waarbij hij "dertien maal gevangen werd genomen en zestien maal als slaaf verkocht'. Teruggekeerd in Lissabon trouwde hij en wijdde zich aan het schrijven van het relaas van zijn omzwervingen, bedoeld als "een soort ABC' voor zijn kinderen. Een ABC van 630 bladzijden! Hij had er dan ook nog andere dingen mee voor, zoals blijkt uit de vele plaatsen waar hij refereert aan "de lezer'. Hij voltooide dit reusachtige werk vermoedelijk in 1578, maar pas lang na zijn dood, in 1614, werd het uitgegeven. Het kende een grote vogue in de zeventiende eeuw, werd in verschillende talen vertaald (in Nederland, zeer bekort, in 1652), waarna het, met de verschijning van geraffineerder vormen van exotisme, in vergetelheid raakte. Pas met de opkomst van de literaire kritiek als wetenschap, zo'n eeuw geleden, en met toename van onze geografische kennis, kreeg de Peregrinacão weer aandacht en werd het boek onderwerp van uiteenlopende interpretaties en theorieën.

Het geeft daar ook aanleiding toe. Onder de eenvoudige schijn van een a-literair taalgebruik gaat een tekst schuil die op vele manieren gelezen kan worden en die talloze problemen opwerpt. Eén van de redenen waarom ik de Nederlandse uitgave voorbeeldig noemde, is dat op de duistere en controversiële punten van Pinto's levensloop en op de problematiek van het boek grondig wordt ingegaan in drie voorwoorden: dat van de vertaler, Arie Pos; een kort essay van de Portugese geleerde Eduardo Lourenco; en een studie van de Leidse lusitanist B.N. Teensma. Het aardige is dat twee van hen (de twee laatstgenoemden) het al meteen met elkaar oneens zijn, te weten op de punten van Pinto's joodse afkomst en van de "indirecte kritiek' in zijn boek (waarover straks).

Woordspeling

Wat, vanaf de dag van verschijning tot nu toe, alle lezers en alle critici heeft beziggehouden, is de vraag naar het aandeel van de werkelijkheid en dat van de fantasie in Pinto's werk. Overbekend is de Portugese woordspeling op zijn naam: Fernão, mentes? Minto! (Fernão, lieg je? Ik lieg!) - duidelijk een bon-mot van degenen die geen hoge dunk hadden van Pinto's geloofwaardigheid, reeds in de zeventiende eeuw. Inzichten veranderden echter met de stand van de wetenschap, en zo zal het geen verwondering wekken dat men nu overwegend van mening is dat de schrijver minder heeft verzonnen dan werd aangenomen.

In India, waar Portugal een flinke voet aan wal had, is Pinto weinig geweest. Reeds vanaf 1539 heeft hij vrijwel uitsluitend Zuidoost- en Oost-Azië bereisd. Terwijl hij vooral Malakka als uitvalsbasis had, leidden schipbreuken, handelsmissies en religieuze ijver hem beurtelings zuidwaarts tot aan Sumatra en Java, en noordwaarts, langs de Chinese kust, tot aan de zuidelijkste eilanden van Japan, waar hij als een van de eerste Europeanen belandde. Mogen we het verslag van zijn reizen langs de kusten redelijk betrouwbaar achten, zijn Marco Polo-achtige belevenissen in het binnenland moet hij te danken hebben aan enkele literaire bronnen en aan mondelinge informatie. Maar overal, in de ware zowel als in de verzonnen gedeelten, geeft hij hetzelfde beeld van zichzelf: dat van o pobre de mim, vertaald als "ik ongelukkige' of "ik arme stakker', kortom: een schlemiel met picareske trekjes, een personage dat de schrijver als geen ander in staat stelde zich te verontschuldigen voor, zo niet te bedienen van een onopgesmukte verteltrant, en om een ironische, cynische en kritische visie te ventileren op de wereld om hem heen, evenals op de verschrikkingen waarmee hij en zijn makkers "vanwege onze vele zonden' door God worden geplaagd en de evenzovele miraculeuze reddingen waardoor hij "dank zij Gods oneindige goedheid' steeds weer overleeft.

Deze formulering wekt de indruk dat we toch met een schrijver van doen hebben en een van de intrigerende aspecten van de Pelgrimsreis is inderdaad het feit dat Fernão Mendes Pinto, ofschoon geen ambachtelijk schrijver in de gebruikelijke zin des woords, personage is in zijn eigen boek. Daarmee is het meer een roman dan een autobiografie. De onnozelheid die Pinto, in de beste picareske traditie, steeds etaleert, wordt alleen al weersproken door het feit dat hij zelf schriftelijke en mondelinge bronnen aangeeft, en, bovenal, door het feit dat hij het boek geschreven heeft. Dit reusachtige materiaal overzien en ordenen, er episoden in aanbrengen die de hoogtepunten van het boek zijn en deze verbinden door overgangspassages als piratenexcursies, handelsreizen, schipbreuken e.d., eist inzicht, al is het maar intuïtief, in een ingewikkelde materie. Sommige van deze episoden nemen bijna de vorm aan van korte verhalen die in een bloemlezing van het genre niet zouden misstaan. Er komen personages in voor die in het geheugen blijven hangen. En door zijn eigen aandeel in de gebeurtenissen te reduceren tot dat van passieve toeschouwer, door te registreren wat hij de mensen rondom hem, zowel Oosterlingen als Portugezen, ziet doen en door hen te laten spreken en zelf zijn mond te houden, slaagt Pinto erin een beeld te geven van wat het Verre Oosten in de zestiende eeuw moet zijn geweest, hoe de Portugezen zich in die wereld bewogen en staande konden houden. Ondanks de schijn van het tegendeel moet de Peregrinacão dus beschouwd worden als een werk van kunst en kunstvaardigheid. Niet van gekunsteldheid: juist het feit dat hij geen beroepsmatige schrijverservaring had heeft Pinto behoed voor veel rederijkersflora van zijn tijd.

Geloofsijver

Omdat in die tijd een boek, om uitgegeven te worden, de censuur van de Inquisitie moest passeren, deed een schrijver er goed aan te getuigen van een onwankelbaar geloof in onze enige echte God (alle andere religies heetten "sekten') en ook in de officiële ideologie van de Kroon, de "verbreiding van het geloof en het imperium' - die expansie die het nog tot in de tijd van Salazar de gewoonte was te verheerlijken. Dat er weinig heerlijks was aan het dagelijkse doen van gewone soldaten, zwervers en fortuinzoekers, en weinig fraais in dat van admiraals en veroveraars, weten we doordat een enkele dichter (Camões) en zeer weinige geschiedschrijvers, tussen de loftuitingen door, getuigden van hun ervaringen van de meer barre soort. Zo ook Fernão Mendes Pinto. Zijn geloofsijver lijkt echt te zijn. Hij was bevriend met de Heilige Franciscus Xaverius, die in het Oosten preekte, en was enige tijd als lekebroeder lid van de jezuïetenorde. Ten slotte wijst de titel, Pelgrimsreis, naar een christelijk perspectief. Niettemin was hij niet blind voor de ellende die de Portugezen in Christus' naam aanrichtten in het Oosten, noch voor het merkwaardige feit dat veel van de "heidenen' die hij daar ontmoette er een zedelijk normbesef op nahielden dat zijn landgenoten wel eens ter harte mochten nemen.

Het personage dat, na Pinto zelf, de meeste "présence' heeft in het boek is ene António de Faria (een figuur van die naam, gespeld Antonio Farria, komt voor in Slauerhoffs Het verboden rijk, evenals onze schrijver, gespeld als Mendez de Pinto). Faria betreedt het boek in hoofdstuk 38, en is voortdurend prominent aanwezig totdat hij, in hoofdstuk 77, verdwijnt in een schipbreuk. Hij wordt voorgesteld als handelaar, maar veel van zijn daden zijn die van een piraat. De stap lijkt over het algemeen trouwens snel gezet: het verschil zit slechts in het verwerven van goederen tegen betaling of zonder betaling. Het laatste werd met gelijke munt betaald, in een eindeloze reeks wraaknemingen, waarvan al gauw niemand meer weet welke de eerste keer geweest is. António de Faria in elk geval is op zoek naar de Moor Khoja Hassim, die hem zijn koopwaar heeft ontstolen. Dat wordt een zoektocht van twintig hoofdstukken vol wederwaardigheden. Karakteristiek voor Pinto's "indirecte kritiek' (het aan Oosterlingen in de mond leggen van kritiek op de wandaden en hypocrisie van de Portugezen - een procédé dat later bekend zou worden door b.v. Montesquieu en Voltaire), is de episode van het "wonderkind'. Nadat de Portugezen een Chinese "lanteia' (een licht roeivaartuig) hebben buitgemaakt en de eigenaars met een kanonschot van hun eigen boot het bos in hebben gestuurd, zetten ze zich aan de maaltijd. D.w.z. Pinto schrijft met de hem typerende gemoedsrust en het cynisme van de picaro: "Toen we eenmaal allemaal veilig aan boord van de lanteia waren, zetten we ons in alle rust aan hun maaltijd.' Na God dank te hebben bewezen voor het eten, doorzoeken ze de boot op handelswaar, en stuiten daarbij op een jongetje van een jaar of twaalf. Gevraagd wie de eigenaar van de boot is, antwoordt de knaap: "Hij was het bezit van mijn ongelukkige vader, aan wie het droevige en onfortuinlijke lot ten deel viel dat u hem in minder dan een uur ontnam wat hij in meer dan dertig jaar had vergaard.' Faria probeert de jongen te troosten, maar - is het vreemd? - de jongen moet niets hebben van troost van "zulke slechte mensen als u'. De Portugezen, op hun beurt, zijn verontwaardigd over zo veel ondankbaarheid, waarop de jongen voortgaat: "Weet u waarom ik dat zeg? Omdat ik u God heb zien danken nadat u zich had volgegeten, als mannen die denken dat het genoeg is om van tussen hun tanden wat naar de hemel te mompelen, zonder te boeten voor wat u gestolen heeft. En dan zwijg ik nog over roof en moord, waarvan u de ernst zult inzien als u daarvoor na uw dood de strenge straf ontvangt van Zijn Goddelijke gerechtigheid.'

Martelingen

De stichtelijke woorden baatten niet veel. De volgende dag "overmeesterden we een vissersbarkas vol verse vis, waarvan wij namen wat we nodig hadden... De nacht daarop overmeesterden we een vissersprauw...' enzovoort. Maar António de Faria, als fatsoenlijk handelaar, was op zoek naar de zeerover Khoja Hassim, met wie hij ten slotte aldus afrekent: "Met zijn zwaard in beide handen bracht hij hem een zo zware slag op zijn hoofd toe dat hij dwars door zijn maliënhelm heenging. Met een volgende slag hakte hij zijn beide benen af, zodat hij niet meer overeind kon komen. Aangemoedigd door de naam van Christus onze Heer, die ze voortdurend aanriepen, maakten de onzen verder iedereen tot op de laatste man af, met uitzondering van slechts vijf man die levend in hun handen vielen. Ze werden aan handen en voeten gebonden en in het pompruim gegooid, zodat we ze later onder martelingen enige vragen zouden kunnen stellen. Uit vrees voor de dood die hen wachtte, beten ze elkaar echter met hun tanden de keel af.'

Enkele hoofdstukken later gaat António de Faria (letterlijk) in zee met een Chinese piraat, die hem de weg zal wijzen naar het eiland Calemplui, waar zeventien Chinese koningsgraven tot de rand gevuld liggen met goud, terwijl het eiland heel makkelijk te veroveren is. Waarna Pinto schrijft: "En omdat António de Faria zeer nieuwsgierig van aard was en hebzucht hem evenmin kon worden ontzegd, was hij terstond volledig gewonnen voor de plannen van deze Chinees.'

Zoals Fernão Mendes Pinto zich presenteert als de anti-held, zo is António de Faria het satirisch/kritische portret van de held, de nietsonziende avonturier.

Het is de mengeling van eenvoud, gespeelde onschuld, cynisme, opportunisme, impliciete kritiek en ook een waarachtig openstaan voor het vreemde, die deze geschiedenis tot zo fascinerende lectuur maakt. Een dergelijk gezichtspunt is ook slechts mogelijk doordat de picaro per definitie geen erecode heeft, zoals die waartoe de adel of vermeende adel zich verplicht acht. Want zie het vervolg van dit verhaal: de zeventien koningsgraven, slechts "beschermd' door een paar eerbiedwaardige heremieten, werden uiteraard geplunderd, maar God schijnt af en toe toch te straffen. In elk geval: de vloot verging in een schipbreuk, met António Faria en de geroofde schatten, waarna de overlevende Portugezen via allerlei beproevingen en ondanks de draconische toepasssing van de Chinese gerechtigheid (die Pinto uitbundig prijst zolang hij niet zelf het slachtoffer is), belanden aan de Chinese Muur, waar ze hun niet eens oncomfortabele positie als dwangarbeiders vergooien door een uiteindelijk met de hellebaard uitgevochten strijd over wie nu wel het adellijkst was, het geslacht Madureira of dat van de Fonseca's: "De onenigheid ontstond uit een zekere ijdelheid die onze Portugese natie eigen is. Ik kan daarvoor geen andere verklaring geven dan dat het in haar aard ligt lichtgeraakt te zijn in zaken waarbij de eer in het geding is.' En de Chinese aanklager, na de ruzie met zweepslagen en kerkerstraf te hebben onderdrukt, verklaarde "dat wij lieden waren die God vreesden noch kenden en die Hem slechts lippendienst konden bewijzen'.

Tartaren

Pelgrimsreis is een boek dat een zorgvuldige lezing vraagt, omdat steeds weer, tussen eenvormige passages, episoden als deze opduiken, die de vraag wettigen hoe de Inquisitie en de Kroon dit boek in Gods naam hebben kunnen laten passeren. Ten slotte, uit Chinese gevangenschap bevrijd door de Tartaren (dit overigens allemaal verzonnen, de bronnen moeten liggen bij mondelinge getuigenissen van gevangenen), krijgen de Portugezen, zich nog steeds voordoend als brave handelaars, uit de mond van een oude Tartaarse hoveling te horen wat in wezen de drijfveer is voor hun ondernemingslust: "Dat deze lieden zo ver van hun vaderland reizen om vreemde gebieden te veroveren, toont duidelijk aan dat er onder hen veel hebzucht en weinig rechtvaardigheid moet heersen.'

Voor minder dan dit kreeg je onder Salazar al te maken met de PIDE. (Overigens: als ik het hier heb over Portugezen, is dat omdat het boek nu eenmaal over een aspect van de Portugese expansie gaat. Maar het is duidelijk dat veel, zo niet alles wat Pinto hierover meldt, geldig is voor alle naties die, in die en latere tijden, in die en andere gewesten, zich in dergelijke avonturen hebben gestort: Engelsen, Spanjaarden, Fransen, Hollanders.)

Verheugend

Het is verheugend dat juist dit boek, dat zo vaak geschikt is geacht voor uitgave in verkorte versies, in integrale vertaling is verschenen. Want ofschoon sommige lezers zich misschien afvragen of een beknoptere uitgave niet handzamer en goedkoper was geweest - aan naar inzicht van de vertaler verkorte versies doen we principieel niet meer, en bij klassieke werken al helemaal niet. Dit boek verdient niet anders dan te worden uitgegeven zoals nu is gedaan: integraal, en behalve van de drie voorwoorden ook nog voorzien van drie registers (op vreemde woorden, toponiemen en eigennamen), alsook versierd met een groot aantal zeer fraaie illustraties. Kortom: een rijk bezit.

De vertaling van Arie Pos treft uitstekend de toon van het origineel. Bij vertalingen van werk uit vroeger tijden doet zich altijd de vraag voor welke stijl men moet hanteren. Oud lijkend Nederlands schrijven is onmogelijk: het belangrijkste dat men kan doen is modern aandoende woorden vermijden. Pos heeft dat gedaan, en sommige jongensboek-achtige sjablonen (vijanden die "over de kling worden gejaagd', schipbreukelingen die "jammerlijk verdrinken') passen wonderwel in het laconisme waarmee Pinto dit soort gruwelen beschrijft. Ten slotte moet ik met enig ontzag melding maken van een enorm vocabulaire aan krijgskundige en nautische termen die een grote mate van authenticiteit uitstralen.

Wie de wenkbrauwen fronst bij het zien van de prijs, kan ik alleen maar zeggen: als er prioriteiten gesteld moeten worden, dan verdient dit schitterende boek een hoge plaats in te nemen op ieders lijstje.

    • August Willemsen