Een gesoigneerde nomade; Biografie van de echte Justus van Effen

P.J. Buijnsters: Justus van Effen, 1684-1735, Leven en werk. Hes Uitgevers, 445 blz. Prijs ƒ 159,00.

Justus van Effen is voor de meesten van ons niet meer dan een naam uit een schoolboek. Een vage figuur die wordt geassocieerd met oubollige zedenschetsen uit het achttiende-eeuwse Nederland, een solide, maar bedillerige schoolmeester. Die reputatie heeft hij vooral te danken aan zijn Hollandsche Spectator, een weekblad waarin hij in de jaren dertig van de achttiende eeuw zijn mening gaf over de meest uiteenlopende zaken. Veel minder bekend is hij geworden door zijn Franse essays uit zijn jongere jaren, waarin hij op geestige wijze allerlei misstanden uit de samenleving van het ancien regime op de korrel nam. Daarin is van oubolligheid niet veel te merken. In 1718 publiceerde Van Effen bijvoorbeeld in zijn tijdschrift La Bagatelle het volgende verhaaltje over de brandende kwestie van de erfelijke ambtsopvolging.

Op zekere dag nam een Engelsman een Duitser mee naar een Franse boekwinkel en stelde deze aan de boekverkoper voor als "erfelijk professor aan een Duitse universiteit'. De boekhandelaar, verbaasd over die vreemde titulatuur, nam de Engelsman apart en vroeg hem of hij zijn metgezel soms voor de gek hield met dat "erfelijk professor'. Welnee, ik praat heel serieus, was het antwoord. Maar zouden er dan werkelijk in enig deel van Europa erfelijke professoren bestaan, vroeg de boekhandelaar opnieuw. Wat is daar zo vreemd aan, zei de Engelsman, ik ken zelfs een land in Europa waar het koningschap erfelijk is!

Voltaire had zich voor zo'n kwinkslag niet hoeven te schamen. Maar wie weet dat ook Van Effen zo raak uit de hoek kon komen?

Het geval van Van Effen staat niet op zichzelf, maar is representatief voor de visie op de achttiende-eeuwse cultuur. Geen eeuw is zozeer het slachtoffer geworden van clichés als de achttiende eeuw. De eeuw van redelijkheid en verlichting stond lang te boek als de eeuw van oppervlakkig vooruitgangsgeloof, burgerlijke zelfgenoegzaamheid en literaire middelmatigheid. Historici hebben van dit algemene beeld niet veel heel gelaten, maar de clichés hadden inmiddels zoveel slachtoffers gemaakt dat er nog heel wat recht te zetten blijft. Van Effen is een van die slachtoffers.

In zo'n situatie komt al gauw het verlangen op naar een moderne biografie, die het oude beeld door iets nieuws zou kunnen vervangen. Voor iemand uit de achttiende eeuw is dat niet makkelijk; teveel documenten zijn soms verloren gegaan. De Nijmeegse hoogleraar Buijnsters heeft het aangedurfd en schreef een nieuwe biografie van Van Effen om, zoals hij in openhartige naviteit zegt, een beeld te schetsen van de "echte Van Effen'.

Tragiek

Van Effen werd in 1684 in Utrecht geboren uit eenvoudige ouders, was op de Latijnse school en de universiteit een veelbelovende leerling en student, maar bracht het desondanks niet verder dan gouverneur bij adellijke heren en regenten. In die ene zin ligt al de hele tragiek van het leven van Van Effen besloten. Bijna zijn hele leven lang heeft hij geprobeerd als gelijke opgenomen te worden in de aristocratische kringen waarin hij verkeerde, maar keer op keer moest hij constateren dat hij daar niet in was geslaagd. Hij was pas 42 toen hij in 1726 in een van zijn tijdschriften een "Brief van een bejaard man' opnam. Het is een terugblik op een mislukt leven, die weliswaar geen openlijk autobiografisch karakter heeft, maar door Buijnsters wel, en waarschijnlijk met recht, als een sleuteltekst wordt beschouwd.

Al op school en op de universiteit probeerde Van Effen zijn medeleerlingen en -studenten, die doorgaans van betere komaf waren, te overtroeven door zich op de studie te storten. Bijzonder trots was hij op de opmerking van een van zijn leermeesters dat hij toch eigenlijk wel het hart van een prins had. Als student ging Van Effen ook liever om met Franse refugiés, wier positie ook wat onduidelijk was, dan met Nederlandse mede-studenten, die in sociale rang ver boven hem stonden. In een literair clubje dat hij met Franse mede-studenten vormde, besprak hij de eerste produkten van zijn pen.

Van Effen verliet de universiteit zonder de gebruikelijke academische promotie, en een hoogleraarschap, waar sprake van schijnt te zijn geweest, is hem kennelijk door de neus geboord. Omdat zijn vader inmiddels was overleden, moest hij zelf in zijn levensonderhoud voorzien en hij heeft dat het grootste deel van zijn leven gedaan als gouverneur van zonen van adellijke of patricische afkomst. Hij diende bij een Franse gravin in Den Haag, bij de veel aanzienlijker Arent baron van Wassenaar, met wie hij in 1715-1716 een belangrijke reis naar Engeland maakte, en bij de Tielse burgemeester Johan van Welderen. Alleen gedurende de laatste jaren van zijn leven bevond Van Effen zich in een minder afhankelijke positie. Van 1733 tot zijn dood in 1735 was hij Commies van 's Lands Magazijnen van Oorlog in Den Bosch.

Als gouverneur verkeerde de voor eer en aanzien zo gevoelige Van Effen in een moeilijke positie. Hij behoorde niet tot het gewone huispersoneel en werd geacht enige afstand te bewaren tot de meiden en knechten. Maar ook tegenover zijn broodheer moest hij de gepaste distantie bewaren, zelfs al stak hij in intellectueel opzicht met kop en schouders boven zijn omgeving uit. Buijnsters noemt Van Effen dan ook niet onjuist (en met een verwijzing naar zijn gewoonte zich duurder te kleden dan hij zich eigenlijk veroorloven kon) een "goed gesoigneerde nomade tegen wil en dank'. Voor iemand met een zowel zelfbewust als zwaarmoedig karakter, moet het een ongelukkig bestaan zijn geweest, dat hij, voor zover de mogelijkheden dat toelieten, met literaire arbeid trachtte te vergulden.

Van Effen heeft zich vanaf zijn studietijd met hart en ziel op de journalistiek en de literatuur gestort. Zijn debuut was in zekere zin meteen al het hoogtepunt in zijn schrijverscarrière. In 1711 begon hij met de publikatie van een nieuw type tijdschrift, het Franstalige, maar in Den Haag verschijnende Le Misantrope. Het was het eerste tijdschrift op het Europese vasteland volgens de formule van de spectatoriale geschriften die Addison en Steele al in Engeland hadden beproefd: anonieme weekblaadjes die op een onderhoudende, ironische en satirische manier allerlei misstanden in het maatschappelijk verkeer aan de kaak stelden en zo de burgers wilden opvoeden tot een deugdzamer bestaan. Erg lang heeft het blad niet bestaan (eind 1712 verscheen het laatste nummer), maar voor Van Effen is het belangrijk geweest omdat hij eruit leerde dat zijn kracht niet in de poëzie lag, maar in de korte essayistische beschouwing. Na Le Misantrope heeft hij nog verschillende andere Franstalige bladen opgericht (zoals het invloedrijke Journal literaire en Le Bagatelle), maar hij bereikte pas weer zijn oude niveau in de Nederlandstalige Hollandsche Spectator die hij in de periode 1731-1735 volschreef. In de tussentijd had hij zich ook niet onverdienstelijk gemaakt als vertaler van vooral Engels werk uit de vroege Verlichting, zoals Defoe's Robinson Crusoe en A Tale of a Tub van Swift.

Met die Franstalige blaadjes en dat vertaalwerk heeft Van Effen zich in het buitenland een bescheiden roem verworven als doorgever van de ideeën van de vroege Verlichting, een typisch voorbeeld van de wijze waarop de vrije Republiek kon optreden als intermediair tussen de Engelse en de Franse cultuur. In dat licht bezien vormde zijn late overstap op het gebruik van het Nederlands zoiets als een capitulatie. Buijnsters laat echter zien dat Van Effen zich daarmee allerminst terugtrok op een kleiner terrein; door de keuze voor het Nederlands werd zijn bereik juist groter, voornamelijk onder degenen die hij wilde bereiken, zijn landgenoten. In zijn laatste jaren werd namelijk steeds duidelijker wat hij wilde worden: de morele en artistieke leidsman van de opkomende burgerij in eigen land. Zonder dat Buijnsters dat met zoveel woorden zegt, lijkt het erop dat van Effen rond 1730 heeft afgerekend met zijn adellijke aspiraties die toch tot niets leidden en zich heeft geconcentreerd op datgene wat hij wel goed kon: schrijven voor een publiek dat niet al te zeer afweek van zijn eigen milieu.

Lachspiegel

De Hollandsche Spectator heeft niet altijd een goede naam gehad. Veelal zag men er vooral de aardige genrestukjes in, de geestige beschrijving van bepaalde facetten van het burgerleven in Nederland in de achttiende eeuw. Hierdoor werd de zedenspiegel die van Effen wilde bieden al gauw een lachspiegel, een rariteitenkabinet van de Nederlandse zeden uit de achttiende eeuw. Het eigenlijke belang van het tijdschrift schuilt, in Buijnsters woorden, ergens anders, namelijk "in de manier waarop de hoge principes van de Verlichting - redelijkheid, tolerantie, sociabiliteit - naar de burger toe worden vertaald'. Hij is op zoek naar, alweer in de woorden van Buijnsters, "de eigenheid van de Nederlandse volksaard' die al te zeer is aangetast door buitenlandse invloed en gekte van binnenuit, maar met gezond verstand wel weer hersteld kan worden. Al schrijvend tracht de spectator Van Effen de grenzen tussen redelijk en onredelijk vast te stellen, of het nu gaat om taal en literatuur, kerk en godsdienst, mens en maatschappij en goede en kwade vrouwen, de hoofdthema's van zijn beschouwingen.

Zo komt uit de biografie het beeld naar voren van een literair begaafd denker, die aanvankelijk geplaagd werd door een hang naar het aristocratische, maar uiteindelijk zijn bestemming vond in een rol als geestelijk en literair leidsman van de burgerij. Door de accentuering van de zwaarmoedige plooi in het karakter van Van Effen, de ambivalente positie die hij lange tijd in het intellectuele leven heeft ingenomen en zijn rol in de verbreiding van de idealen van een redelijke verlichting draagt Buijnsters voldoende elementen aan voor een grondige revisie van ons beeld van Van Effen. Maar is zijn poging tot revisie effectief? Ik ben daar nog niet zo zeker van.

Geschiedschrijving is een voortdurende strijd tegen clichés, maar een harde les uit die strijd is dat clichés soms hardnekkiger worden naarmate ze meer bestrijding ondervinden. Een cliché lijkt alleen vervangen te kunnen worden door een ander cliché, of op zijn minst door een voorstelling die het in zich heeft een cliché te worden. Het is dus niet voldoende de oude voorstelling te ontkrachten en de ingrediënten voor een nieuwe voorstelling te presenteren, men moet dat alternatieve beeld ook zelf met grote overtuigingskracht presenteren. Het gaat dan niet alleen om de inhoud, maar ook om de vorm. En juist daarin ligt niet de grootste kracht van deze biografie. Wat Buijnsters biedt is een vaak erg feitelijk relaas. Uitvoerige genealogische bijzonderheden, waarvan de betekenis voor de hoofdpersoon niet altijd duidelijk zijn, worden de lezers niet onthouden en als bepaalde episoden uit het leven van Van Effen niet of nauwelijks gedocumenteerd zijn, probeert Buijnsters de gaten te vullen door uitvoerige opgave van de personen die Van Effen in die periode gekend zou kunnen hebben, misschien indachtig het principe: zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal zeggen wie u bent. Dat wil niet zeggen dat er geen rake typeringen in de biografie voorkomen. Maar meestal gaan ze weer verloren in krachteloze passages of discussies met vakgenoten die in de noten thuishoren.