De tijd van snotteren is voorbij

In het Letterkundig Museum in Den Haag is een tentoonstelling te zien van maritieme kinderboeken onder de titel "Het zeegat uit'. T/m 31 januari 1993

“Het leven van een mán, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe verder het land dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker de reis.” Dat schrijft Johan Fabricius in een "Aan de Hollandse jongens' dat voorafgaat aan zijn beroemde De scheepsjongens van Bontekoe. Op Hollandse meisjes had hij blijkbaar niet gerekend. Meisjes gingen immers niet naar zee, waarom zouden ze er dan over lezen? Voor een schrijver een merkwaardig beperkte gedachtengang. Hoe dan ook, de twee geciteerde zinnen maken wel duidelijk wat een reis eigenlijk voor iets is. In ieders leven (ook in dat van een vróuw) woedt wel eens een storm, en wie geen oogje in het zeil houdt, kan lelijk met de kloten voor het blok komen te zitten en dan helpt het niet om alle hens aan dek te roepen want het is buigen of barsten ook al kan men het hoofd maar nauwelijks boven water houden - enfin, zeereizen zijn het leven zelf. Een jongen die naar zee gaat, wordt volwassen.

In het jeugdboek is de zeereis, het thema van de kinderboekenweek dit jaar, waarschijnlijk om die reden populair. Het is de beschrijving van de intrede in het volwassen leven, de jongensintrede in het mannenleven. Aan boord worden jongens harder, en dat is wel nodig, na de moederwereld van zachte rokken en pap. Met mooie woorden en sentimentaliteit komt men niet ver aan boord van een schip, aanpakken en laten zien wat je waard bent, dat is de manier. In Marijn bij de lorredraaiers van Miep Diekman staat het zo: “De schipper had hen er weer eens veilig doorheen gesleept. Dan kon je moeilijk met je pet in je hand "Dank je wel, schipper!' staan snotteren. Die zou je zien aankomen en je aan je werk schoppen. Nou, dat kon je dan maar beter zelf aanpakken. En goed! Dàt zou-ie begrijpen!” Zo doen kerels dat. De tijd van snotteren is voorbij.

Natuurlijk bestaan er nog steeds schepen en zeelui, maar er zijn toch nog maar weinig jongens die "naar zee' willen en het woord "zeelui' klinkt zelfs al een tikje passé. De zeventiende eeuw, dat was andere koek. Zowel De scheepsjongens als Marijn, twee van de allermooiste zeejeugdboeken, spelen in die tijd. De scheepsjongens varen naar de oost, op een schip van de Oost Indische Compagnie, Marijn woont in de west en heeft te maken met de schepen van de West Indische Compagnie, slavenhalers. Zo goeiig en bolrond jongensachtig als het bij Fabricius toegaat, met respect voor de deftigheid en de waardigheid van de Compagnie, zo kritisch is de toon bij Diekman. Het zijn onvergelijkbare boeken in allerlei opzichten - Diekman durfde in 1965 zo enorm veel meer aan de orde te stellen dan de overigens even opvoedlustige Fabricius in 1923 - maar beide beschrijven met veel kennis van zaken en tegelijkertijd enigszins geromantiseerd het leven aan boord, beide gezien door de ogen van jongens die de zeden en gewoonten aan boord nog moeten leren.

De schepen zijn de (mannen)maatschappij in het klein en in de allergeordendste vorm. Het gaat er streng hiërarchisch en beslist pre-democratisch aan toe. Een schipper is een geliefde dictator, in de ogen van de bemanning "een bovenste beste', "een uit duizenden'. Ondanks zijn strengheid en zijn almacht, of misschien juist dankzij, is de schipper als een vader voor de jongens. Hij weet beter dan zijzelf wat goed voor ze is en heeft altijd heimelijk plezier in een schrandere knaap. Moeders zijn er niet, dat is onderdeel van de initiatie. Het is bijzonder honend om van een man te zeggen dat hij terug wil "naar zijn moesje' en sowieso wordt liefde voor een vrouw niet als een bijzonder gunstig iets opgevat. Aan de wal, vooruit, maar aan boord wordt er niet over vrouwen gezeurd. Wel is het mooi om te zorgen dat je moeder, je vrouw of je meisje "trots' op je kan zijn. Dat is te bereiken door heldendaden: het moedig schieten van panters, het doven van branden, het verslaan van piraten en het redden van levens.

De bemanning bestaat bij Fabricius uit "ronde, gezellige lui' die "voor de duvel niet bang zijn' al zit er natuurlijk ook wel een enkel minder aangenaam type bij. Diekmans Marijn wordt als volgt gewaarschuwd door zijn eerste schipper: “Rappe mannen,” zei Reyning onverwacht. “Rap in hun oordeel, rap met hun handen, waneer hun jouw chirurgijnskunsten niet aanstaan. Je zou niet de eerste chirurgijn zijn die overboord gaat wanneer Rasmus Reyning slaapt.” Dat klinkt wat minder gezellig, maar er blijken toch heel wat gouden harten onder de harige borsten te kloppen en de saamhorigheid mag er zijn.

Die saamhorigheid is aan boord bijzonder belangrijk. Valt die weg dan dreigt muiterij en gehele of gedeeltelijke ondergang. Natuurlijk heerst er wel eens naijver of jaloezie, meestal als er iemand meer in de gunst staat bij de schipper dan een ander, en ook wie zich te goed voelt voor zijn maten wordt gestraft. Niets is erger dan buiten de groep vallen in deze wereld. De mannen delen elkaars leven op een manier die maar onder weinig omstandigheden voorkomt.

Tegelijkertijd moet de aankomende zeeman leren dat hij er op allerlei cruciale momenten alleen voor staat, dat hij zich niet als een "suikerdot' altijd maar achter iemands rokken kan verschuilen. Rokken zijn zelfs in het geheel niet bedoeld om je achter te verschuilen, iemand met rokken moet zich juist achter een brede rug in veiligheid kunnen brengen. Zo zie je zelfs jonge scheepsjongens opbloeien als er een meisje in de buurt is (uitsluitend aan de wal vanzelfsprekend) want hoe bang ze ook zijn, ze gaan er ervan uit dat "zij' nog banger is en in ieder geval zwakker en dat zij haar dus moeten beschermen.

De taal waarin de mannenwaarden en -deugden uitgedrukt worden kan niet stoer, ruw en onverschillig genoeg zijn. We zijn immers geen "juffers' aan boord. Dus als de mannen roepen dat de boegpoorten opengeslagen zijn en het water naar binnenstroomt, dan zegt de schipper onvervaard: “Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht!” “De Spekken! Ze smijten met bonen!” is scheepstaal voor “De Spanjaarden! Ze schieten!”, als iemand schrikt van een gruwelijk verhaal wordt hem toegevoegd: “Zeg, je wordt toch niet weekhartig, wat?” en als er zelfs een brok in de keel schiet bijt men zichzelf toe: “Oud wijf!”. Vrouwen zijn onbeheerst en emotioneel, mannen niet.

De jongens komen onveranderlijk als man terug van hun reizen, en eerlijk is eerlijk, wie leest wat ze allemaal mee hebben moeten maken kan er niet onderuit dat dergelijke ervaringen een mens ontkinderlijken. Er is veel geleerd, zowel emotioneel als feitelijk. De stormen hebben plaatsgevonden, en tegen de stormen die nog zullen komen is de scheepsjongen nu wel opgewassen, dat is zo duidelijk als wat. Het was leerzaam met hem mee te leven. Ook de lezer, zelfs als zij geen hij is, is een beetje een mán geworden.

    • Marjoleine de Vos