De roze muren van de vijfde barones; Museum voor de collectie-Thyssen Bornemisza in Madrid

In het Palacio Villahermosa in Madrid, tegenover het Prado, kan het publiek zich vanaf morgen vergapen aan de collectie van baron Thyssen Bornemisza, de belangrijkste kunstverzameling ter wereld in particulier bezit. De echtgenote van de baron, miss Spanje 1961, blijkt bij de inrichting een beslissende stem te hebben gehad. Men is te gast bij de familie Thyssen.

Het museum Thyssen Bornemisza is gevestigd aan de Paseo del Prado nummer 8 en is geopend van dinsdag tot en met zondag tussen 10 en 19 uur. Tel. 09-341.4203944.

Meneer de baron is weer thuis. Vorige week heeft Hans-Heinrich Thyssen Bornemisza (71) de laatste hand gelegd aan de inrichting van zijn nieuwe paleis. Eigenhandig heeft hij nog wat schilderijen verhangen, terwijl zijn echtgenote zich met andere details bezighield. Maandag is hij begonnen er zijn bekende en onbekende gasten te ontvangen en vanaf morgen is het open voor het publiek. Het Palacio Villahermosa in Madrid is immers geen woonhuis maar het nieuwe onderkomen van de Thyssen-collectie, zo'n veertienhonderd schilderijen en andere waardevolle voorwerpen die algemeen worden beschouwd als de belangrijkste kunstverzameling ter wereld in particulier bezit.

Na die van de Engelse koningin, zegt men daar meestal bij. Maar hoe particulier is die? Zouden haar schilderijen zomaar Engeland kunnen verlaten? En richt zij zelf haar musea in?

Baron Thyssen heeft lang onderhandeld over de nieuwe plek voor de verzameling die zijn vader, de staalmagnaat en reder Heinrich Thyssen, in de jaren twintig begonnen is en die hij zelf vooral heeft aangevuld met kunst van de twintigste eeuw. Tot vorig jaar was ze ondergebracht in een vleugel van zijn landhuis Villa Favorita aan het meer van Lugano. Het rustieke complex was al sinds de jaren zestig veel te klein om een representatief deel van de collectie te tonen. Maar eerst wilden de Zwitserse autoriteiten geen toestemming geven voor een forse uitbreiding in het beschermde natuurgebied, daarna vond de baron dat ze die uitbreiding eigenlijk ook maar zelf moesten betalen en toen men daartoe eindelijk bereid was en vijftig miljoen bij elkaar had gebracht, hoefde het voor Thyssen niet meer. Na een juridisch gevecht van bijna twintig jaar besloot hij zijn doeken in te laten pakken en er een gastvrijer omgeving voor te zoeken.

Het Getty-museum bood vijfhonderdmiljoen dollar voor het recht om de collectie te tonen.

“Maar dat ding ligt op een heuvel en er mogen maar 250.000 mensen per jaar in,” schamperde de baron afgelopen maandag.

Mevrouw Thatcher wilde er een heel nieuw gebouw voor laten neerzetten, meldde ze in een met de hand geschreven brief.

“Maar alleen op Canary Wharf of in Birmingham!” brieste de baron.

Verschillende Duitse steden en ook Tokio deden een zelfde aanbod - nieuwe gebouwen, eervolle randvoorwaarden - maar niet één was er zo aantrekkelijk als dat van Madrid: een achttiende-eeuws paleis, tegenover het Prado en naast het moderne kunst-centrum Reina Sofia, te voorzien van een geheel nieuw interieur naar de wensen van de baron en de barones. Het hielp dat het Prado altijd al Thyssens favoriete museum was geweest en natuurlijk ook dat zijn huidige, vijfde echtgenote een Spaanse is. Uit Barcelona weliswaar, maar tevens Miss Spanje 1961 en dus ook een beetje van het hele land.

Carmen "Tita' Cervera, eerder getrouwd met de acteurs Espartaco Santoni en Tarzan-vertolker Lex Barker, is meer dan trots op de dienst die ze de natie heeft bewezen door druk uit te oefenen op haar echtgenoot. Die dienst kost de Spaanse overheid in eerste instantie zo'n tweehonderd miljoen gulden aan verbouwingskosten en "huur' voor de komende negenenhalf jaar, plus een nu nog onbekend bedrag wanneer de verzameling voorgoed in Madrid mag blijven. Het Prado is door de manoeuvre bovendien beroofd van een gebouw dat oorspronkelijk was aangekocht voor de hoogst noodzakelijke uitbreiding van zijn eigen expositieruimte. Maar als aanwinst voor het culturele erfgoed is de collectie van, letterlijk, onbetaalbare waarde en als toeristische attractie goed voor naar schatting zevenhonderdvijftigduizend bezoekers per jaar. Daarom is de natie wel degelijk zeer dankbaar voor wat Tita heeft gedaan.

Roddelbladen

De vijfde barones is in de afgelopen jaren snel gegroeid in haar rol als maecenas en geniet er zichtbaar van. “Ik ben een meisje dat zich goed kan aanpassen,” legt ze deze week uit in één van de Spaanse roddelbladen. Ze schildert nu ook zelf ("landschapjes bij maanlicht') en koopt schilderijen (onlangs nog "een kleine Gauguin'). Als culturele bemiddelaar tussen haar echtgenoot en de Spaanse regering heeft ze ervoor gezorgd dat de relaties almaar hartelijker werden. De baron aarzelde eerst nog om zijn levenswerk definitief in Spanje achter te laten, maar inmiddels woont hij min of meer permanent in een buitenwijk van Madrid en deze week zei hij dat hij hoopt binnen zes maanden een overeenkomst zonder tijdslimiet met de overheid te kunnen sluiten. Het enige probleem daarbij zijn de baronessen één tot en met vier en/of hun respectieve kinderen. De erfgenamen zijn jaloers op Tita, bekende ze in weer een ander smeuïg blad. Maar als vice-voorzitter van de stichting die sinds kort het grootste deel van de verzameling beheert, hoeft ze niet zo heel veel meer te vrezen.

Als zodanig heeft ze zich ook intensief bemoeid met de vormgeving van het museum. Het Palacio Villahermosa heeft een mooie, neoklassieke gevel waaraan niets veranderd is sinds het begin van de negentiende eeuw. Het is lang in gebruik geweest als residentie van de markiezen naar wie het is genoemd, maar in de dynamische jaren zestig en zeventig werd het interieur in opdracht van een bank geheel gesloopt en door kantoorruimte vervangen. Dankzij deze kaalslag had Rafael Moneo, de architect die in 1989 de opdracht voor de verbouwing kreeg, in principe geheel de vrije hand bij het ontwerpen van een nieuwe indeling. Moneo heeft ondermeer het museum voor moderne kunst van Stockholm, het oudheidkundig museum van Merida, het filmpaleis van het Lido in Venetië en het vernieuwde Atocha-station van Madrid op zijn naam staan - stuk voor stuk nogal geslaagde projecten. Over het museum Thyssen is hij echter maar matig tevreden. Hij geeft toe dat hij concessies heeft moeten doen. Aan de baron, maar vooral aan de barones. Want ook al betaalde de staat de verbouwing, de collectie is en blijft een particuliere aangelegenheid.

Wie het museum betreedt, wordt daarmee al bij de ingang geconfronteerd. Daar hangen de portretten van koning Juan Carlos en koningin Sofia, in een neo-realo-pointillo-impressionistische stijl geschilderd door de society- kunstenaar Maccarón, die volgens Tita Cervera beschouwd dient te worden als "de Goya van de twintigste eeuw'. Een hardnekkig gerucht wil, dat ze door het vorstelijk paar nog eens in de adelstand hoopt te worden verheven.

Onmiddellijk daarna springt de kleur van de wanden in het oog. Moneo had ze wit willen hebben. Dat paste bij de simpele vierkanten en rechthoeken die zowel horizontaal als verticaal het gezicht van het interieur bepalen en is de beste, neutrale achtergrond voor zo'n uiteenlopende collectie. Op dit punt heeft hij naar eigen zeggen het hardst gevochten, maar uiteindelijk toch het onderspit gedolven tegen de opvattingen van de barones. Zij koos voor een modetint die woningrichters, al naar gelang de smaak van hun klanten, vermoedelijk als "sienna' of "peach' zullen aanduiden. Gewone mensen noemen het roze. En dat is het ook. Zoals wc-papier. Niet anders.

“Het is een heel ongewone kleur,” zeiden we voorzichtig tegen de baron tijdens onze wandeling.

“Ja, héél ongewoon,” beaamde hij onmiddellijk en hij grijnsde erbij van oor tot oor.

Baron Thyssen maakt de indruk niet al teveel zaken in het leven meer serieus te willen nemen en al helemaal niet het ongebreidelde enthousiasme van zijn echtgenote. Wanneer zij het museum een beetje gezellig wil, dan moet dat kunnen. Die kleur doet intussen wel vreemde dingen met zijn schilderijen. Hij werkt als een soort omgekeerde lakmoesproef: wanneer de kunstwerken er niet op reageren zijn ze vrijwel zeker van bijzondere kwaliteit. Het oog heeft dan alleen maar aandacht voor wat er gebeurt binnen de lijst.

Maar sommige doeken beschikken kennelijk niet over die samengebalde kracht. De compositie is wat losser, ze bestaan uit grote egale vlakken of, nog erger, er is al flink wat roze in verwerkt. Dan reageert het schilderij op zijn omgeving, op het roze van de muur, en krijgen stukken die op zichzelf beschouwd heel aardig zijn opeens iets goedkoops. Alsof het eigenlijk helemaal niet om hen begonnen is, maar om hun omgeving. Alsof ze op hun decoratieve waarde zijn uitgezocht. Dat stoort niet in de stijlkamers van een omgeving als het Mauritshuis, maar wel in een museum dat in 1992 is opgezet. En iets van dat gevaar heeft men uiteindelijk ook hier wel onderkend, want in de drie zaaltjes op de begane grond waar ondermeer Mondriaan en de constructivisten hangen heeft men de roze roller niet gehanteerd. Die zijn toch maar wit gelaten.

Topstuk

De verzameling van baron Thyssen heeft de afgelopen jaren flink over de wereld gereisd en was in stukken en beetjes ook altijd al in Lugano te zien. Dat zij van bijzondere kwaliteit is, was daardoor bekend. Maar nu de schilderijen groep na groep bijeenhangen valt pas goed op dat zij een vrijwel compleet schitterend overzicht biedt over de geschiedenis van de westerse schilderkunst in de laatste zes eeuwen. Niet alle periodes zijn even goed vertegenwoordigd, maar uit ieder tijdvak en van iedere belangrijke stroming is er wel iets - meestal een topstuk. Alleen de conceptuele kunst ontbreekt.

De aanbevolen rondgang begint op de tweede verdieping bij de Italianen van de dertiende en veertiende eeuw. Daarop volgen primitieve Vlamingen; het Quattrocento; vroege Duitsers; de barok; Italiaanse, Franse en Hollandse meesters van de zeventiende eeuw; de rococo en het neoclassicisme; Amerikaanse schilders uit de negentiende eeuw; de romantiek; het impressionisme; het fauvisme; (vooral Duitse) expressionisten; de eerste abstractie; het kubisme; het surrealisme; de pop art en de figuratieve kunst van na de oorlog. Namen: Della Francisca, Zoppo, Memling, Grien, Dürer, Cranach, Holbein, Caravaggio, Ribera, Greco, Ruisdael, Zurbaran, Rembrandt, Velazquez, Rubens, Murillo, Canaletto, Watteau, Renoir, Monet, Degas, Van Gogh, Gauguin, Cézanne, Gris, Munch, Beckmann, Grosz, Dix, Kandinsky, Mondriaan, Ernst, Braque, Picasso, Chagall, Hopper, Bacon. De baron en zijn vader hebben weinig ongemoeid gelaten.

Thyssen zegt dat hij bij zijn aankopen afgaat op een eerste indruk. Een schilderij moet hem meteen treffen. Als hij moet studeren om het belang ervan te ontdekken, interesseert het hem niet. Ik weet niet of zijn vader dezelfde uitgesproken opvattingen had, maar als er een lijn in de lange reeks schilderijen valt aan te wijzen dan heeft die vermoedelijk te maken met een voorkeur voor heldere afbeeldingen. Het is een vrolijke en een duidelijke collectie. Bijkomend voordeel: dat helpt tegen de muren.

De collectie is bij uitstek het werk van één man en de spiegel van zijn voorkeuren en grillen. Geen museumconservator, al had hij het geld, zou op het idee komen zo te werk te gaan. De Spaanse staat mag nu dan wel de huls hebben geleverd en betaald, binnen is men te gast bij de familie Thyssen. Deze week gebruikte het paar de museumzalen vijf avonden achtereen voor bijeenkomsten die in het teken stonden van champagne en kaviaar, avondjurken en epauletten, zien en gezien worden. Er was volop aandacht voor de twee, maar bijvoorbeeld nog geen catalogus. Pas na discrete druk van hooggeplaatste kunstliefhebbers kon Tita Cervera ervan overtuigd worden dat het slotbal van vanavond toch maar beter in een belendend hotel kon worden gehouden. Maar waarom eigenlijk? Verzamelaars gebruiken al eeuwen hun bezit om hun sociale status te verhogen en te onderstrepen. Dat is hun goed recht. Mevrouw de barones voelt zich daarbij thuis.