De hemel op Jamaica

“Voel maar,” had moeder gezegd, “oma's voeten zijn koud. Ze is dood.” En inderdaad, nog nooit van haar jonge leven had Thecla zulke koude voeten gevoeld. Het leek wel of oma een tijdje in de ijskast had gelegen.

Sinds een paar weken was oma ziek. Het was vrij plotseling begonnen; kort daarvoor was iedereen er nog verbaasd over dat oma al achter in de zeventig was en toch door haar knieën kon zakken om iets van heel dicht bij de grond op te pakken zonder haar taitai van haar hoofd te nemen (een taitai is een doek waarin je spullen bewaart).

Opeens werd oma ziek. Eigenlijk wist iedereen dat ze niet meer beter zou worden. Moeder had haar daarom bij zich in huis genomen en al die tijd verzorgd.

Nu was oma dood! Hoewel er al vaker over was gepraat dat oma zou sterven, voelde het toch raar nu het zover was. Thecla had zich voorgenomen om vooral niet verdrietig te zijn; dat had ze oma immers beloofd toen zij nog gewoon met haar kon praten. Oma was zo lief dat ze vast wel naar de hemel ging. Thecla had het geheime plan haar daar op te zoeken. Hoe je er ongeveer moest komen wist ze wel. Daar had ze uitgebreid over nagedacht. De hemel, dacht Thecla, moest ongeveer een paar kilometer voorbij het plantagehuis van tante Jane en oom Henry zijn. Zij herinnerde zich de laatste logeerpartij bij haar lievelingsoom en tante nog als de dag van gisteren. Behalve de familie waren er nog meer kinderen van vrienden. Alles was er mogelijk. Het was bijna de hemel. Ze wist nog heel goed, dat je vanaf het huis, in de verte een berg kon zien waarvan de top in de laaghangende bewolking verdween.

Volgens Thecla kon je in de hemel komen door die berg te beklimmemn want boven de wolken was toch de hemel? Het kon niet missen. Sterker nog, ze geloofde dat het bij tante Jane en oom Henry zo leuk was, omdat ze zo dicht bij de hemel woonden. In ieder geval op een plek waar je de weg naar de hemel kon zien. Je kon er zo naar toe lopen. In de stad had je dat niet.

Op maandag, op de Aitie Day (de achtste dag na de begrafenis), besloot Thecla om uit school rechtstreeks bij oma langs te gaan in de hemel. De avond tevoren had ze geld uit haar spaarpot gehaald om de stoomtrein naar de plantage te kunnen betalen. “Zou oma nog dezelfde prachtige jurk van wit kant aan hebben die ze in de kist droeg?” vroeg Thecla zich af. Ze ging die avond extra vroeg naar bed zodat het gauw de volgende dag zou zijn.

Die nacht droomde ze dat ze oma tegen kwam in de hemel. Ze zat gekleed in een fel gekleurde bloemetjesjurk te mijmeren op haar schommelstoel, op de veranda van een fraai huisje. Het was van ongeverfd hout met een dak van palmbladeren. Thecla had de indruk dat oma het erg naar haar zin had. Zo goed had ze er in tijden niet meer uitgezien. “Pak maar een lekker glaasje koemboesap uit de keuken,” zei ze. Het smaakte als vanouds. Oma maakte zelf het sap en dat had ze vroeger ook bijna altijd in huis. Toen ze oma vertelde dat ze eigenlijk bij haar wilde komen in de hemel zei oma vertederd: “Zou je dat nu wel doen? Weet je dan niet dat je niet terug kunt als je eenmaal hier bent? Ik vind het hier zo prettig omdat ik al zo'n lange tijd bij jullie ben geweest. Later kom je hier vanzelf wel terecht. Dat is nu eenmaal de loop der dingen.”

Met een schok werd Thecla wakker van de wekker. Even wist ze niet meer of ze oma nu echt had gezien of dat ze het had gedroomd. In ieder geval nam zij zich voor om het advies van oma op te volgen.

    • Ilse-Marie Dorff