Afrika altijd in Walcotts gedachten

“Voor veel mensen is mijn werk een merkwaardig verschijnsel. Hoe kan het, vragen ze zich af, dat zo'n man, afkomstig van een klein, onbeduidend Caraïbisch eiland, zo goed schrijft?” Aan het woord is Derek Walcott, de eerste Nobelprijswinnaar uit West-Indië. Gisteren werd hem de Nobelprijs voor literatuur toegekend.

Walcott is een van de grote hedendaagse dichters en toneelschrijvers. Hij is geboren in 1930 in Castries op het bovenwindse eiland St. Lucia, en in die toenmalige Britse kolonie opgegroeid. Thans verdeelt hij zijn tijd over Boston, waar hij poëzie en drama doceert aan de universiteit, en zijn geboorte-eiland. Ik ontmoet hem, voordat de Nobelprijs aan hem is toegekend, in Stockholm waar hij op dat moment verblijft om zijn eigen stuk "The Last Carnival' op de planken te zetten in de Koninklijke Schouwburg.

“Ze vragen altijd”, vervolgt Walcott, “wat de Caraïbische cultuur heeft opgeleverd. Waar zijn jullie raketten, jullie auto's, jullie operatheaters? Dat is uiteraard heel denigrerend: je kunt vooruitgang op de ene plaats niet vergelijken met die ergens anders. De geschiedenis neemt op verschillende plaatsen een verschillende loop.

“Je moet niet vergeten dat de Caraïbische samenleving tegelijk oud en nieuw is. Oud in historische zin, nieuw als experiment met een complexe gemeenschap van allerlei nationaliteiten op een beperkte oppervlakte. Het leven op een Caraïbisch eiland is intellectueel zeer stimulerend; die mengelmoes van Indiaanse, Chinese, Aziatische en Mediterrane culturen. En ook al is Afrika historisch gezien ver weg, in geestelijk opzicht is het altijd aanwezig. Die rijkdom is wat ik in mijn gedichten tracht te vatten.”

Pag.6: Nobelprijswinnaar Derek Walcott: Beter je breed te maken dan bescheiden te zijn

U bent zelf ook een complexe persoonlijkheid met uiteenlopende loyaliteiten. Of zoals u het in een van uw gedichten hebt uitgedrukt: “Of ik ben niemand, of ik ben een hele natie.” Kunt u iets over uw achtergrond vertellen?

“Ik kom uit een Engels sprekende, methodistische minderheid op een Frans, rooms-katholiek eiland. Mijn vaders vader was blank, verder is de familie zwart. Maar ras heeft nooit iets voor me betekend. Ras is iets belachelijks, dat de West-Indiër als stompzinnig in de oren klinkt. Rassenconflicten zijn in de grond oerdom. Toch zijn er miljoenen mensen die die kwestie bloedserieus nemen, ook al weten we waar het toe leidt: uitroeiing. Mijn loyaliteiten liggen dus niet bij het ene of het andere ras.”

Waaraan bent u het meest loyaal?

“Aan taal. Waar ik ben geboren, werd Engels en patois gesproken, en ik houd van beide talen. Ik schrijf in het Engels, en ik ben absoluut en in de allereerste plaats een Caraïbische schrijver; de Engelse taal is niemands privé-eigendom. In mijn werk probeer ik de verfijnde, intellectuele taal te mengen met het jargon van de straat, op een toon die getrouw is aan mijn eigen stem en waarin beide facetten op een natuurlijke manier te horen zijn. Maar iemands eigen stem is altijd een bloemlezing uit alle klanken en stemmen die iemand ooit heeft gehoord.”

Uw taal klinkt soms als een complete kermis...

“Wat verwacht u dan van een schrijver met mijn achtergrond? Waar ik vandaan kom houden ze van het grote gebaar, van het grandioze. Men schuwt het theatrale niet; het is een retorische samenleving, een samenleving van fysieke uiting, van stijl. Het is geen bescheiden samenleving. Met een bescheiden manier van uiten bereik op de Caraïbische eilanden niets. Het is beter om je breed te maken, met weidse gebaren, dan bescheiden te zijn en je voor te doen als een stil iemand die op zijn tenen loopt.”

Uw poëtische werk lijkt een hommage te willen brengen aan het multiculturele Caraïbische leven, en dan vooral de authenticiteit ervan. Maar tegelijkertijd bent u een heel subtiele dichter, die zich zeer bewust is van de grote traditie, en u kent niet alleen, maar gebruikt ook veelvuldig allerlei literaire trucs en kunstgrepen.

“De Westindische schrijvers van mijn generatie hebben de grote vreugde gekend als eersten over hun land, hun mensen, te mogen schrijven, en tegelijk wekte onze wereld een intens verlangen naar structuur, juist niet het verlangen je los te rukken, omdat we niet die last droegen van een teveel aan literatuur. Maar ik zou niet willen zeggen dat ik literaire kunstgrepen toepas. Ik weet niet eens hoe de meeste versvormen heten. Ik tel op mijn vingers. De rest is toeval. En er is in allerlei soorten poëzie een element van mystiek.”

U bedoelt mystiek in de zin van goddelijke inblazing?

“Nee, God speelt geen rol in poëzie, het is niet zijn taak om dichters te beïnvloeden. Ik ben een gelovig mens, en ik heb altijd een gevoel van dankbaarheid gehad, zowel voor wat naar mijn gevoel een geschenk is, als voor de schoonheid van de aarde, van het leven om ons heen. Voor mij is de poëzie een geschenk, een zegening. Als we het geloof verliezen, verliezen we ook de poëzie. Een gedicht is in mijn ogen een ruzie met God, en ik verbeeld me dat hij dat begrijpt.”

U schrijft ook toneelstukken en hebt een jarenlange ervaring met het theater. Hoe ziet u dat deel van uw literaire werk?

“Ik heb zo'n vijfentwintig stukken geschreven. Veel zijn er weg, andere zijn gelukkig vergeten. Het zijn nooit commerciële successen geweest, goddank, al zijn er momenten geweest dat ik mezelf nog wel eens zag doorbreken. Maar je mag een toneelstuk niet beoordelen op zijn commerciële succes of wansucces. Zeventien jaar lang heb ik de Trinidad theater Workshop gedreven, die ik heb opgericht in 1959 en waar ik uiteindelijk in 1976 ben opgestapt. Ik wilde een theater opbouwen waar iemand met dezelfde overtuiging Shakespeare kon produceren en Calypso's kon zingen. Het was een heerlijke tijd. Maar ons grote probleem is dat de erfenis van het Britse imperium het amateurisme is, de bij ons nog altijd heersende opvatting dat kunstbeoefening iets voor de amateur is. Maar goed, wat mijn eigen werk betreft: al mijn stukken zijn wel op een of andere manier mislukt. Maar van ieder stuk leer ik weer iets nieuws. Ik zal mijn doel wel nooit bereiken, maar iedere keer weet ik weer iets dat de vorige keer niet bleek te werken.”

U beschouwt uzelf in gelijke mate als dichter en als toneelschrijver. In uw toneelwerk bent u sterk politiek geëngageerd, veel sterker dan in uw gedichten. Is het theater geschikter voor politieke discussie?

“Misschien. Theater is voor mij de enige ware vorm van democratie. Maar ik probeer uiteraard niet om politieke stukken te schrijven. Anderzijds heb ik als Westindische schrijver heel veel om me tegen af te zetten. Tegen politiek onrecht, maar ook de stupide clichés over de Derde Wereld. Het is in mijn ogen totaal absurd dat iemand die begint over economisch of sociaal onrecht onmiddellijk voor socialist wordt uitgemaakt en vol achterdocht wordt bejegend. Westindische mensen hebben geen enkele reden om net zo tegen de wereld aan te kijken als Europeanen. Dat diepe pessimisme en het millennium-denken, dat zegt ons niets.”

Maar gelden de Westindische waarden dan nog wel voor u? U woont al meer dan tien jaar in de Verenigde Staten. Vindt u zichzelf in geen enkel opzicht veramerikaanst?

“Alleen uit vrije wil. Ik geloof niet dat ik een hersenspoeling heb ondergaan. Amerika heeft me veel gegeven - en ik bedoel niet in strikt filantropische zin; wat ik heb gekregen, heb ik verdiend. Maar het heeft me zeer geholpen, en ik ga hoe langer hoe meer van Amerika houden. Van het landschap en de mensen. De gemiddelde Amerikaan denkt niet dat de hele wereld van hem of haar is. Amerikanen koesteren geen imperialistische gedachten. Wat ik bij hen aantref is zachtaardigheid en hoffelijkheid. Er zijn dingen die men liever niet zegt in een interview, omdat ze bombastisch klinken of zweverig. Maar ik zeg u dit: ik zal altijd een Westindische schrijver blijven, trouw aan mijn geboortegrond. En uiteraard aan de poëzie. Ik ben opgegroeid met het geloof dat dat een roeping is, een religieuze roeping.”