Zappen met een klikradio; Expositie over opkomst en ondergang van de draadomroep

Zonder antenne. Radiodistributie, draadomroep, kabeltelevisie. Tentoonstelling in het PTT-museum, Zeestraat 82, Den Haag. Maandag t/m zaterdag 10.00 - 17.00. Zon- en feestdagen 13.00 - 17.00. Tot en met 17 januari. Informatie: 070-3307575

De voornaamste aantrekkingskracht van die goeie ouwe draadomroep was wel zijn vriendelijke gebruiksinterface: een peervormig, bakelieten schakelkastje met twee knoppen. Met de grootste knop kon je kiezen tussen vier radioprogramma's, de kleinste liet zich met kleine klikjes verdraaien en was voor de instelling van het volume. Iedereen kon ermee overweg en het geluid was helder en storingvrij. Echt hard kon het meestal tegen de wand bevestigde luidsprekerkastje niet spelen; wie de volumeknop voorbij de hardste stand draaide, belandde automatisch weer in de zachtste stand.

De draadomroep beleefde zijn hoogtepunt in 1956. In dat jaar waren er 550.000 abonnees. Daarna ondervond de bakelieten schakelaar toenemende concurrentie van de "gewone' radio. Nog later waren het de Centrale Antenne Inrichtingen die de draadomroep de das omdeden. Op 31 januari 1975 kon een inmiddels tot enkele duizenden geslonken abonneebestand de laatste draadomroepgeluiden beluisteren. Daarmee kwam een einde aan een interessant stukje technische omroepgeschiedenis, dat in een vandaag geopende tentoonstelling in het PTT-museum in Den Haag wordt gedocumenteerd. Aan de hand van oude radiotoestellen, een fraaie reconstructie van een "radiocentrale', foto's, advertenties en een heel mooi tekenfilmpje over de zegeningen van de draadomroep kan de bezoeker zich een beeld vormen van het begin en de hoogtijdagen van de draadomroep.

Draadomroep of "radiodistributie' is bijna even oud als de radio-omroep. De geschiedenis van de omroep begint in 1919, met pionier ir. H. à Steringa Idzerda en zijn experimentele radiouitzendingen in Den Haag. In de jaren twintig viel de groep van de radioluisteraars nog grotendeels samen met die van de radio-amateurs. Radio's waren duur en nog lastiger te bedienen dan de huidige videorecorders. Voor het ontvangen van een bepaalde zender moesten de afstemspoelen ten opzichte van elkaar worden verdraaid, de dubbele afstemcondensatoren moesten worden ingesteld en vaak diende ook nog aan de knop van de hoogfrequentversterking te worden gedraaid. Een verkeerde instelling vergastte de luisteraar en zijn buurt op een indringend gehuil (de "Mexicaanse Hond', het oscilleren van de ontvanger die daardoor als zender gaat werken).

Ondanks die lastige bediening sprak de muziek die uit de lucht kwam tot veler verbeelding en menige radio-amateur had tijdens de uitzendingen over aanloop niet te klagen. Zoals de HBS-er A.L. Bauling uit Koog aan de Zaan. In 1924 maakt hij een deal met zijn buren: voor twee kwartjes per week krijgen ze een luidspreker in huis die met draden op zijn ontvanger is aangesloten. Het idee slaat aan en Bauling richt de Eerste Nederlandse Radio Centrale op, voorlopig nog met vijf abonnees. Een van de eerste programma's van de ENRC is een live-uitzending van de Matthäus Passion. De luidsprekers staan nog in serie, net als de lampjes van een kerstboomverlichting, en dat heeft tot gevolg dat een verbroken verbinding bij een van de abonnees het hele net tot zwijgen brengt. Later wordt overgegaan op parallelschakeling.

Na vijf jaar heeft de ENRC al 3500 abonnees en ook andere particulieren begeven zich op deze markt. Het is de tijd dat de omroepverenigingen ontstaan en menige stad wordt overwoekerd door een net van tegen de buitenmuren gespijkerde draadomroepleidingen.

In Den Haag heeft tien jaar lang, van 1926 tot 1936, een ingenieuze combinatie van telefoon en draadomroep bestaan. De Haagse telefoonabonnees konden hun installatie desgewenst uitbreiden met een luidspreker die door de bestaande telefoonlijn van een radioprogramma werd voorzien. Toen in 1927 de tweede Nederlandse omroepzender kwam, mengde de telefoondienst voortaan uit die twee programma's een algemeen programma. In 1929 kwam een echte verbetering in de vorm van een drukknop. Indrukken van de knop deed in de centrale een stappenschakelaar verspringen en zo kon de Haagse telefoonabonnee langs vier zenders zappen; behalve de twee Nederlandse zenders ook de Engelse zender Daventry en de Deense Kalundborg. Het enige nadeel van het systeem was dat een inkomend telefoongesprek het mooiste pianoconcert of het spannendste hoorspel wreed afbrak.

Opdringerige fluittonen

Zo werden door vele radiocentrales de twee Nederlandse omroepzenders relatief goedkoop in de huiskamer gebracht. De kwaliteit was wisselend, want die hing af van plaats en kwaliteit van de centrale ontvanger. Al gauw gingen de exploitanten ertoe over ontvanger en antenne op een zo gunstig mogelijke plaats te situeren, later betrokken de radiocentrales de omroepgeluiden rechtstreeks van de studio. De abonnees van de radiocentrales bleven zo verschoond van de buitenlandse zenders die op dezelfde frequentie als de Hilversumse zaten en zich 's avonds met opdringerige fluittonen manifesteerden. En terwijl de vonkende beugels van een passerende tram een ravage maakten van de nieuwsberichten die uit de luidspreker van een radioluisteraar klonken, kon de radiocentrale-luisteraar ongestoord blijven luisteren.

In 1935 kregen de radiocentrales toestemming ook eigen programma's door te geven, en zo ontstaat eigenlijk de eerste lokale omroep.

De bezetting bracht het einde van al dit particuliere initiatief. Op last van de Duitsers naastte de PTT alle particuliere netten en de radiodistributie werd een instrument van politieke propaganda. Toen de bezetter in 1942 de reguliere radiotoestellen verbood bloeide de radiodistributie als nooit tevoren. In 1944 kon de PTT zo'n 440.000 abonnees registreren.

Na de oorlog werd het centrale model gehandhaafd. De radiodistributie bleef in handen van de PTT. Tussen 1945 en 1953 investeerde de PTT bijna vijftig miljoen gulden in de draadomroep, zoals het medium nu werd genoemd. Het straatmeubilair werd op vele plaatsen verrijkt met huisjes waarin rekken met zware buizenversterkers stonden. De versterkers konden een vermogen leveren van honderd of driehonderd watt, en voor elke abonnee was ongeveer een halve watt beschikbaar. De geluidskwaliteit bleef goed. De PTT adverteerde met "studiogeluid' en vele muziekliefhebbers kozen voor het ruisvrije signaal en het veel grotere frequentiebereik dat de draadomroep in vergelijking met de middengolf bood. De standaard bleef vier programma's. Twee Hilversums en twee programma's die door de PTT werden samengesteld uit het aanbod van buitenlandse zenders, aangevuld met eigen grammofoonmuziek, of, als dat zo uitkwam, met vijf minuten stilte (die ook als zodanig in de programmabladen werd aangekondigd). Aan moderne verlangens trachtte de PTT tegemoet te komen door ook luisprekerkastjes met een ingebouwde versterker aan te bieden (zodat pick up bezitters hun platen konden draaien).

Toch streed de PTT een achterhoedegevecht. FM-zenders, stereo-uitzendingen, goedkope radio's, draagbare radio's en de opkomst van de HiFi-cultuur lieten zich steeds minder goed verenigen met de draadomroep. De PTT moest er flink op toeleggen, tussen 1954 en 1964 gemiddeld zes miljoen per jaar. In 1964 kreeg de PTT van de regering toestemming de draadomroep te liquideren. Tot dan toe had de overheid de draadomroep als een soort culturele basisvoorziening beschouwd. Toen onderzoek leerde dat het vooral de midden- en de hogere inkomens waren die van deze voorziening gebruik maakte, verviel ook dat argument.

Inmiddels had zich de opvolger van de draadomroep aangediend: het kabelnet, dat niet alleen radio, maar ook televisie in de huiskamer kon brengen. Bovendien kon door een andere wijze van signaaloverdracht (hoogfrequent in plaats van laagfrequent) met één simpel kabeltje tientallen radio- en tv-zenders worden doorgegeven - de draadomroep had voor elk kanaal twee draden nodig. Op 31 januari 1975 was het definitief afgelopen.

En zo verdween de klikradio uit honderdduizenden huiskamers. Op het Waterlooplein hebben de luidsprekerkastjes nog jarenlang hoog opgestapeld gestaan. Wie op zijn digitale Phase Locked Loop Synthesizer Tuner tussen tientallen "kabelzenders' wanhopig naar het nieuws van Hilversum, pardon Radio 1 zoekt, kan er nog wel eens met heimwee aan terugdenken.

De tentoonstelling in het PTT-museum geeft van de opkomst en ondergang van de radiodistributie een aardig beeld. De echte geïntereseerde wil natuurlijk veel meer weten. De informatieve catalogus voorziet voor een groot deel in die behoefte, maar het is te hopen dat er nog eens een mooi boek over de geschiedenis van de draadomroep komt.

    • Warna Oosterbaan