Winst delen

IN BRUSSEL vallen soms beslissingen die Den Haag helemaal niet zinnen.

Deze zomer nam de Europese Gemeenschap een voorstel aan om regelingen voor winstdeling in het bedrijfsleven te bevorderen. Als enig land onthield Nederland op 27 juli 1992 zijn steun aan deze aanbeveling. De Nederlandse delegatie was van mening dat een besluit over winstdelingsregelingen “geheel aan de sociale partners moet en kan worden overgelaten”.

Het Nederlandse standpunt was ingegeven door Bert de Vries, minister van sociale zaken en als zodanig hoeder van de Nederlandse overlegeconomie. De Vries houdt karakterologisch niet van winstdelingsregelingen voor werknemers in de particuliere sector. Hij volgt daarmee het standpunt van de vakbeweging die, in tegenstelling tot de werkgeversorganisaties, geen voorstander is van verruiming van winstdeling. Dat is niet verwonderlijk want in de twee grote Nederlandse vakcentrales, FNV en CNV, vormen de georganiseerde werknemers in het bedrijfsleven een minderheid. Zestig procent van hun leden werken bij de overheid en de gesubsidieerde sector of zijn afhankelijk van een uitkering.

EEN GULDEN uit 1975 is in de winkel van vandaag niet meer dan 57 cent waard. Dat is het gevolg van de inflatie die de koopkracht van de gulden in de afgelopen zeventien jaar heeft uitgehold. In 1975 voerde het toenmalige centrum-linkse kabinet-Den Uyl een winstdelingsregeling in voor werknemers met een belastingvrijstelling van 750 gulden. Vele kabinetten en jaren van geldontwaarding later komt het kabinet-Lubbers met een voorstel om de belastingvrije winstuitkering te handhaven op 750 gulden. In koopkracht van 1975 is dat 430 gulden. Als alleen maar de inflatie van de afgelopen zeventien jaar zou worden gecompenseerd, behoort de belastingvrijstelling te worden opgetrokken tot 1.180 gulden.

Een hogere belastingvrije uitkering kost de overheid en de sociale fondsen geld. Dus verklaarden de ministers Kok (financiën) en De Vries (sociale zaken) zich eensgezind tegen het initiatiefvoorstel van PvdA-Kamerlid Vermeend om de winstdelingsregeling te verruimen. Vermeend had een vrijstelling van 1.500 gulden in gedachten, maar daarmee zouden de fiscus 200 à 300 miljoen gulden en de sociale fondsen 270 miljoen gulden aan inkomsten derven. Dat het achterwege laten van de inflatiecorrectie de overheid in al die jaren geld heeft opgeleverd, wordt gemakshalve over het hoofd gezien.

De vrijstelling van belasting bij winstdeling is niet de enige regeling waarbij de inflatie de overheid een handje helpt. Hetzelfde geldt voor de aanpassing van de tariefschijven voor de inkomstenbelasting, die in 1993 voor het tweede opeenvolgende jaar achterblijft bij de inflatie - ook al beweerde het CDA in 1991 dat zo'n ingreep tot de categorie "eens maar nooit weer' behoorde. Een ander voorbeeld is het belastingvrije bedrag bij rente op spaargeld. De 1.000 gulden vrijstelling die in 1985 werd ingevoerd, is niet alleen door de inflatie maar ook door de sindsdien gestegen rente uitgehold. Het bedrag dat iemand belastingvrij mag sparen, valt hierdoor steeds lager uit.

DE POSITIEVE prikkel van winstafhankelijke beloningen wordt door vrijwel niemand ontkend. Het is goed voor de arbeidsmarkt, het is goed voor de loonontwikkeling, het is goed voor de motivatie van werknemers in het bedrijfsleven. Maar ambtenaren en uitkeringsgerechtigden zijn van winstdelingen uitgesloten en die vormen in Nederland een blokkerende minderheid. Het wachten is nu op een regeling waarbij de "gedupeerde' ambtenaren ook onder een winstregeling vallen. Ook al heeft de overheid in jaren geen winst gemaakt.