Wilton Fijenoord drijft voor eenvijfde op allochtonen

SCHIEDAM, 8 OKT. Bij scheepswerf Wilton Fijenoord in Schiedam bestaat 22 procent van het totale personeelsbestand uit allochtonen. Niet voor niets kwam uit het arbeidsmarktonderzoek van de vereniging van werkgevers in de metaal (FME) Wilton Fijenoord als uitschieter op dit gebied tevoorschijn. Maar een allochtonenbeleid? “Dat hebben we niet”, zegt hoofd personeelszaken H.L. Maathuis.

Wilton Fijenoord hangt sterk de gedachte van integratie aan. “Als je hier woont en werkt, moet je je aanpassen aan dt land”, zegt Maathuis. Hij trekt de vergelijking met Nederlanders die ooit massaal naar Canada emigreerden. “In het begin mochten ze best problemen met de taal hebben, maar na verloop van tijd moesten ze zich ook aan de gebruiken van Canada aangepassen.” Bij Wilton Fijenoord, dat al vanaf 1962 flinke aantallen buitenlandse werknemers in dienst heeft, zijn dan ook een aantal uitzonderingsregels afgeschaft. Zo zijn de vroegere gebedsruimtes verdwenen en is het aantal tolken in het bedrijf drastisch verminderd.

Met een paar zaken houdt het bedrijf wel rekening, zoals voedsel en de ramadan. “Tijdens de ramadan bieden we de allochtone werknemers aan diensten in de avondploeg te draaien. Het is zwaar werk en dan moet je overdag eten. Maar tijdens de ramadan willen ze 's avonds met hun familie de maaltijd gebruiken. Terwijl ik vind dat er ook van hun kant een beetje water in de wijn moet worden gedaan.”

Wilton Fijenoord kent één uitzonderingsregel. Op de bedrijfsschool die oorspronkelijk is opgezet door de scheepswerf, kunnen allochtonen terecht in een zogenaamd voorschakeljaar. Wie de Nederlandse taal niet machtig is of de LTS niet heeft afgemaakt, wordt hier klaargestoomd voor de twee-jarige opleiding aan de bedrijfsschool. Het voorschakeljaar is alleen toegankelijk voor allochtonen. Maathuis: “Dat is omgekeerde discriminatie. Mohammed die de LTS niet heeft afgemaakt mag wel en zijn vriendje Piet valt buiten de prijzen.”

Tegenwoordig neemt Wilton Fijenoord alleen nog maar mensen van de bedrijfsschool aan. Het gevolg is, meent Maathuis, dat alle werknemers redelijk Nederlands spreken. Toch stuit men binnen de onderneming nog wel eens op verrassingen. Zo vierde vorig jaar een Turks personeelslid zijn 25-jarig jubilieum bij Wilton Fijenoord. Tijdens de feestviering bleek de man geen woord in het Nederlands terug te zeggen. “Die man is in Turkije academisch opgeleid, officier in het leger geweest en zijn kinderen studeerden af aan de Delftse universiteit. Je maakt mij niet wijs dat hij geen Nederlands spreekt. Hij is waarschijnlijk bang om te hakkelen”, meent Maathuis.

De richtlijn van Wilton Fijenoord is dat iedereen in ieder geval zijn collega's en chef in de Nederlandse taal begrijpt. Gebeurtenissen zoals in de jaren zeventig - toen een ploegbaas een ijzerplaat op de muur natekende, aangaf waar de werknemers het gat in de plaat moesten boren, en vervolgens bij terugkomst een keurig gat in de muur aantrof - komen niet meer voor.

De scheepsreparatiewerf regelt zijn eigen zaakjes. Maathuis ontkent dat het in dienst nemen van allochtonen ook maar iets te maken heeft met het afgesloten akkoord in de Stichting van de Arbeid. Daar zijn centrale werkgevers- en werknemersorganisaties overeengekomen dat tussen 1990 en 1994 60.000 allochtonen aan het werk moeten zijn. Een verplicht percentage allochtonen in een onderneming wijst Wilton Fijenoord van de hand, evenals een meldingsplicht tegenover de regionale arbeidsbureaus en de ondernemingsraad. “Richtlijnen ontbreken. Wie wordt onze tegenspeler, wat zijn de sancties? Eerlijk gezegd worden we er doodziek van.”