Vallotton

Waarlijk grote kunst, de klasse Mozart, Rembrandt, Shakespeare, daar is op zichzelf niets tegen. Dat de namen wat afgekloven zijn valt de heren zelf niet te verwijten. Hun werk beneemt je, als het gelegen komt, de adem. Je kunt het nooit helemaal volgen, je ondergaat het en wilt wenen of je verdere leven aan het Hogere wijden, of iets anders heel ingrijpends doen, al naar gelang je temperament. Verder valt er weinig te zeggen. Over de vraag wie het haalt misschien: Bach ja, Baudelaire ja, maar Verdi? Vasalis? Top of subtop? Dorre discussie.

Kunst van het tweede garnituur heeft twee voordelen. Ten eerste is er nog niet zo veel over gezegd en ten tweede is er meer over te zeggen. Zij is begrijpelijker. Vermeer maakt mij sprakeloos, maar over Vallotton wil ik graag een boom opzetten. Wat Vallotton kon kan ik ook niet, maar ik kan mij net voorstellen dat ik iemand had kunnen zijn die kon wat Vallotton kon. Dan was ik wel trots geweest.

Felix Vallotton (1865-1925), wiens schilderijen op het ogenblik in het Van Gogh-museum te zien zijn, hield niet van mensen en ook niet van de wereld. Hij was geen lid van de club, hij was toeschouwer. Maar daar was hij dan ook erg goed in, hij kon kijken als de beste en soms slaagde hij er in om met een schilderij of een houtsnede duidelijk te maken hoe verschrikkelijk het allemaal was wat hij zag. Niet lelijk, maar verschrikkelijk.

Toen hij twintig was portretteerde hij zijn ouders. Een keurig afgewerkt schilderij werd het, want de schilder verstond zijn vak. Maar heeft ooit iemand zijn ouders zo vreemd en troosteloos, zo hologig en gedesillusioneerd afgebeeld? Een kleine Zwitserse chocoladefabrikant en zijn vrouw, gezeten op een Biedermeier bankje. Wie het bekijkt voelt meteen dat iemand die zijn ouders zo ziet, nooit meer gelukkig kan worden.

Vallotton was het tegendeel van een man uit één stuk. In Parijs, waar hij sinds zijn zeventiende woonde, vond hij een eenvoudige vrouw die goed voor hem was, Hélène. Hij woonde jaren met haar samen. Maar in 1899 ontmoette hij een welgestelde weduwe met veel goede connecties; Hélène werd aan de dijk gezet en hij trad in het huwelijk met Gabrielle. Ook onsympathiek is dat hij, die bijtende prenten had gemaakt waarin de bourgeois, het gezag, het patriottisme te kijk werden gezet, met geestdrift de Wereldoorlog in ging. C'est la guerre! heette zijn eerste collectie houtsneden van pittoresk ontploffende granaten. Daar zat geen zweem satire bij.

Als de wereld mooi was voor Vallotton, dan was zij dat door de vorm der dingen, en daar vielen de mensen eigenlijk ook onder. Een vrouw mocht in sommige opzichten een interessanter object zijn dan een fauteuil, iets echt anders was zij niet. En het bezwaar was weer dat zij praatjes had, of verdriet, of iets wou. Verzengend zijn Vallottons ”liefdesscènes', de houtsneden waarop steeds een man en een vrouw te zien zijn in een situatie die intiem zou moeten zijn, maar dat niet is. Het blijkt uit de titel: zij snikt, hij gebaart hulpeloos, en er onder staat Le grand moyen; ”Grof geschut'. Daar kunnen wij het mee doen.

En toch, wat was de wereld mooi in Vallottons ogen. Vol van vormen, vlakken en verontrustende kleuren. Een opgewonden menigte op straat wordt een raar patroon van zwart en wit. Overal rukt duisternis op, er is geen hoop en geen uitweg. De zwarte vrouw die waakt naast een blote blanke op een divan - een oud motief - is bij hem een rokende cipierster. Luchten, als zij er zijn, zijn grauw of groen, en zelfs het gras heeft meer diepte dan het water. Het lichtende herfstasterpaars van een sofa, de langgerekte schaduwen die als littekens een glooiend akkerlandschap doorklieven: die man keek als een gek.

De mens is mild en vergeet telkens weer dat wie ongelukkig is, tegelijk kwaadaardig kan zijn. De mens is naïef en kan moeilijk geloven dat wie geen hart heeft, wel gevoel voor schoonheid kan hebben. De mens is een beetje een sukkel. Kijk maar naar Vallotton.

    • Ileen Montijn