TWEELINGEN

Kathleen McCartney et al: Growing up en Growing Apart: A Developmental Meta-Analysis of Twin Studies. In: Psychological Bulletin, vol. 107, nr. 2, 1990.

Lois Wladis Hoofman: The Influence of the Family Environment on Personality: Accounting for Sibling Differences. In Psychological Bulletin, vol. 110, nr. 2, 1991.

In de jaren zestig werd een verschijnsel gesignaleerd dat de naam vanishing twins kreeg: in de westerse wereld werden relatief steeds minder tweelingen geboren. Een verklaring ervoor was er niet, al werd wel gedacht aan veranderde voedingspatronen die van invloed zouden kunnen zijn op de hormoonhuishouding en dus op voortplantingsverschijnselen.

Maar zie, enige weken geleden werd bekend gemaakt dat het aantal meerlingen - en dus ook tweelingen - flink stijgt door vruchtbaarheidsbehandelingen. Het betreft vooral tweeëiige tweelingen, omdat door de behandeling de rijping van meer dan één eitje wordt gestimuleerd om de kans op bevruchting te vergroten. Daarmee neemt uiteraard ook de kans toe dat meer dan één eitje wordt bevrucht. Ook het aantal eeneiige tweelingen neemt hierdoor echter enigszins toe. Een verschijnsel waarvoor men wederom nog geen verklaring heeft.

Genetici zullen blij zijn dat de neergaande lijn van tweelingen is omgebogen in een opwaartse, want tweelingen vormen voor hen essentieel onderzoeksmateriaal. Daarbij moet men zowel denken aan de medici en biologen onder hen als aan de psychologen. Beide groepen zijn gericht op het zo verfijnd mogelijk uitsplitsen van het aandeel van genetisch materiaal dan wel van omgevingsfactoren in de ontwikkeling na de geboorte. Eeneiige tweelingen hebben voor honderd procent hetzelfde erfelijk materiaal, tweeëiige net als gewone broertjes en zusjes maar voor de helft. Aangenomen dat de twee kinderen van een tweelingpaar in gelijke omstandigheden opgroeien, kan men door na te gaan in hoeverre eeneiige meer overeenkomst gaan of blijven vertonen dan tweeëiige een genetische factor veronderstellen, die dan ook voor eenlingen geldig zal zijn.

Zo blijken bij voorbeeld reuma, bepaalde rugwervelaandoeningen, problemen in de bloedcirculatie en migraine erfelijk te zijn. Zulk onderzoek betreffende de lichamelijke ontwikkeling lijkt eenvoudiger dan het is. Zo moet men er onder meer rekening mee houden dat het bij eeneiige tweelingen uitmaakt op welk moment de splitsing heeft plaatsgevonden: de vierde dag of eerder, de vijfde tot en met tiende dag of daarna. Afhankelijk daarvan zitten de twee kinderen in de baarmoeder respectievelijk met een eigen placenta binnen eigen vliezen, met een gedeelde placenta binnen eigen vliezen of met een gedeelde placenta binnen hetzelfde vliezenstelsel. Dat zijn evenzovele verschillen in prenatale omgevingsfactoren die het zicht op de aanlegfactor kunnen bemoeilijken.

Toch hebben deze onderzoekers het makkelijker dan hun collega's uit de psychologie, de gedragsgenetici. Hun worsteling met de omgevingsfactor is gecompliceerder.

In de eerste plaats is die emotioneel. Er bestaat onder mensen weinig weerstand tegen het denkbeeld dat het al of niet hebben van krullen, het lichaamspostuur en het lijden aan epilepsie in aanleg gegeven zijn. Maar zodra het gaat om de persoonlijkheid zoals die in gedrag tot uitdrukking komt, wordt dat anders. Men houdt graag een plaatsje open voor de vrije wil en bovendien zijn we gewend geraakt - en de psychologie heeft daar hard aan meegewerkt - te denken dat het karakter van een mens wordt gevormd door de ervaringen in zijn jeugd, met aanleg hooguit als het minimummateriaal waar het milieu vorm aan geeft. Binnen de ontwikkelingspsychologie bestaat dan ook een controverse tussen de gedragsgenetici en de omgevingspsychologen. Lezend in de publikaties is het moeilijk partij te kiezen. De laatsten komen op basis van onderzoek regelmatig met harde en minder harde cijfers over het samengaan bij kinderen van bepaalde eigenschappen en bepaalde ervaringen. Een goed voorbeeld is het uiterlijk. Regelmatig is aangetoond dat aantrekkelijke kinderen anders tegemoet worden getreden dan onaantrekkelijke en dat hun gevoel van zekerheid en eigenwaarde groter is. Het ligt voor de hand die lijn door te trekken en ervan uit te gaan dat dat ook in het latere leven ten positieve zal doorwerken, te meer daar in onderzoek onder volwassenen blijkt dat mooie mensen ook dan in het sociale verkeer een streepje voor hebben. Maar eigenlijk mag je die conclusie niet trekken zolang er geen longitudinaal onderzoek is waarbij kinderen tot in de volwassenheid worden gevolgd en dus dezelfde individuen bij een onderzoek zijn betrokken.

Het verwijt van gedragsgenetici aan omgevingspsychologen is dan ook dat zij veel te veel milieu-invloeden op lange termijn veronderstellen omdat die zo invoelbaar zijn, zonder die hard te kunnen maken. Eén van de beroemdste onder hen - Bouchard, tweeling-onderzoeker aan de universiteit van Minnesota - trok laatst hieromtrent flink van leer op een conferentie ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de universiteit van Tilburg. De opvoedingsstijl van de ouders zal tijdens de jeugd het gedrag en beleven van de kinderen zeker benvloeden doordat het grenzen stelt aan wat mogelijk is en wat niet, maar voor het type volwassene dat eruit voortkomt maakt het weinig uit. Hij trok daarbij de vergelijking met lichaamslengte en postuur. Binnen een cultuur bestaan wat dit betreft grote verschillen. Voor de ontwikkeling van lengte en postuur is voedsel nodig. Binnen de normale eetgewoonten in een cultuur zijn ook grote verschillen te zien. Toch zal niemand zeggen dat lengte- en postuurverschillen ontstaan door verschillen in eetgewoonten. Men vindt het heel gewoon om te zeggen dat lang zijn "in de familie zit' of men als kind nu veel of weinig eet, zolang het in de buurt van voldoende is komt die lengte er op den duur uit. Een tweede probleem waar gedragsgenetici mee zitten is met het afgrenzen van de factor "omgeving'. Een voorbeeld: de opvoedingsstijl van de ouders wordt mede bepaald door hun karakter. Hun kinderen krijgen belangrijke aspecten van dat karakter in hun DNA mee. Mag je nu wel zeggen dat die opvoedingsstijl voor de ontwikkeling van die kinderen uitsluitend een omgevingsfactor is of zijn ze door hun erfelijke aanleg juist voor die opvoedingsstijl ontvankelijk?

Door longitudinaal tweelingonderzoek - het oudste is dat van Louisville, dat in 1959 van start ging - probeert men tot ontrafeling te komen. Daarbij vergelijkt men al lang niet meer alleen eeneiige met tweeëiige tweelingen. Maar ook tweelingen van beide typen die wel en niet samen zijn opgegroeid. Dat kan omdat in de VS bij adoptie de kinderen vaak bij verschillende gezinnen terecht komen. Men vergelijkt hen ook met eenlingen die in het eigen ouderlijk huis opgroeien en met geadopteerde eenlingen. Zo ontstaat een netwerk van lange-termijn vergelijkingen. Mede op basis hiervan heeft de gedragsgeneticus Plomin een theorie uitgewerkt waarin hij drie vormen onderscheidt van de voor iedereen geldende interactie tussen erfelijkheid en milieu. De eerste noemt hij passief: het jonge kind ondergaat het milieu, dat echter aardig aansluit bij zijn erfelijke aanleg, omdat de ouders met hun eigen aangeboren kenmerken dat milieu vormgeven en het kind die aanleg tot op zekere hoogte deelt. Ouders geven niet alleen aanleg aan hun kinderen door, maar ook een daarbij passend milieu.

De tweede is de actieve interactie: niet alles wat met en rondom een kind gebeurt dringt tot hem door. Al naar gelang zijn aanleg wordt een selectie gemaakt, een interpretatiekader. In die zin creëert ieder kind zijn eigen, bij zijn aanleg best passend milieu. Daardoorheen speelt de evocatieve samenhang tussen aanleg en milieu: een kind roept door zijn aard in zijn omgeving bepaalde reacties juist wel of juist niet op.

Volgens Plomin is deze laatste een constant gegeven, maar neemt de passieve vorm vanaf de babytijd geleidelijk af en de actieve toe, totdat die in de adolescentie de overhand heeft. Dat zou verklaren waarom broertjes en zusjes mettertijd in karakter minder op elkaar gaan lijken. In de passieve periode ondergaan zij de invloed van het ouderlijk milieu dat genetisch bij hen past en dat doordat zij vijftig procent van hun genen gemeen hebben een gelijkmakend effect heeft. Naarmate zij ouder worden neemt met een grotere actieradius de actieve wisselwerking toe en krijgt de genetische aard die zij niet gemeen hebben meer kans zich te laten gelden. Dit brengt de genetica Sandra Scarr tot de conclusie dat juist de individuele verschillen een bewijs vormen voor de genetische basis. Als het milieu belangrijker was zou men immers mogen verwachten dat kinderen meer op elkaar zouden gaan lijken naarmate zij langer in hetzelfde gezin leven.

Het interessante verschijnsel dat eeneiige tweelingen die in verschillende milieus opgroeien als volwassenen meer op elkaar lijken dan wanneer beide in het ouderlijk gezin zijn gebleven, wordt verklaard met verwijzing naar de menselijke behoefte zich te onderscheiden van anderen. Met de ene tweeling buiten beeld kan de andere de (gelijke) aanleg de vrije loop laten, terwijl als ze samenblijven beiden moeite moeten doen om iets eigens te ontwikkelen.

Thomas J. Bouchard, jr: Genetic and Environmental Influences on Adult Personality: Evaluating the Evidence, Tilburg 1992 (zal verschijnen in een bundel onder redactie van H.J. Hettema).

    • Rita Kohnstamm