Tentoonstelling in Slot Zeist van historische tuinen en parken in Utrecht; Visrijke beken en hutten met een echte heremiet

Tentoonstelling: Tuin en park, historische buitenplaatsen in de provincie Utrecht, t/m 25 okt in Slot Zeist, di-vr 11-17u., za en zo 13-17u. Catalogus ƒ 29,50.

In de zomer van 1664 verhuurde de Utrechtse schilder Hendrick Bloemaert zijn hofstede in De Bilt aan een boer. Voor notaris Dirck de Swart liet hij niet alleen de huurprijs vastleggen, maar ook een rijtje voorwaarden. Een daarvan was, dat de tuin en twee kamers in de boerderij voor hem gereserveerd zouden blijven. Een andere voorwaarde, dat de huurder Bloemaert en zijn gezin 's zomers elke twee à drie weken met zijn wagen uit Utrecht zou halen en weer terugbrengen. En dat over iedere omweg die de familie zou believen te maken.

Bloemaerts wens was niet uitzonderlijk. Integendeel: rond het midden van de zeventiende eeuw werd het voor rijke stedelingen een goed en vooral statusverhogend gebruik om in de zomer naar buiten te trekken. Aanvankelijk legde men tuinen aan vlak buiten de stadsmuren en bouwde er een koepeltje om te kunnen schuilen, 'bevrijdt van de somersche sonnestralen', zoals Den Nederlandtsen hovenier rond 1700 schreef. Of men trok verder van de stad en kocht een boerderij met grond, waaraan men een herenkamer toevoegde, zoals Bloemaert kennelijk had gedaan. Daar kon men langere tijd verblijven. Uiteindelijk verbouwde men de boerderij of liet men zelfs een heel nieuw herenhuis optrekken, dat zeer luxueuze proporties kon aannemen en waarvoor de eigenaar zich niet zelden diep in de schulden stak.

De geliefdste vestigingsplaatsen voor buitens lagen in Utrecht langs de Vecht of, vanaf het midden van de achttiende eeuw, op de Utrechtse heuvelrug. Maar hoe belangrijk het huis of - voor de adel - het kasteel ook was, het was bij de buitenplaatsen toch vooral begonnen om tuin en park. Daar werd de frisse lucht opgesnoven, daar musiceerde men in het tuintheater, daar stak men zijn buurman de loef af door nog meer verschillende soorten pruimebomen te planten.

Met landkaarten, ontwerptekeningen, situatieschetsen en foto's laten de samenstellers van de tentoonstelling in Slot Zeist de ontwikkeling zien in de tuinaanleg van vijftien Utrechtse buitenplaatsen. Daaronder zijn stadhouderlijke zoals Slot Zeist zelf, maar ook niet-adellijke als Goudestein in Maarssen en negentiende-eeuwse als kasteel De Haar in Haarzuilens.

De hele geschiedenis van de Nederlandse tuinarchitectuur van de laatste paar eeuwen trekt er voorbij. Van de geometrische stijl, populair vanaf de late middeleeuwen, met een rechthoekige, in vakken verdeelde tuin, via de classicistische, symmetrische tuin met een centrale as en aan weerszijden besloten compartimenten (rond 1700), met grote nadruk op perspectiefwerking, tot en met de landschapstuin die opgang deed vanaf circa 1750. Rond die tijd was de elite uitgekeken op geschoren hagen en strategisch op het kruispunt van diverse zichtassen geplaatste fonteinen. Ze wilde wegdromen in een "natuurlijk' Arcadië, vol met op de tekentafel geplande toevalligheden: grotten of ravijnen, Chinese bruggetjes, visrijke beken en exotische tuingebouwen. De nuttige moestuinen en boomgaarden waren al eerder naar een verre uithoek van de buitenplaats verschoven.

De opstelling is zakelijk en overzichtelijk, maar daardoor ook een beetje saai. Gelukkig is een begeleidend boek uitgekomen waarin een schat aan - deels nieuwe - gegevens wordt geopenbaard. Zo blijken bijvoorbeeld in enkele Nederlandse zeventiende-eeuwse tuinen, waaronder die van Cronenburgh aan de Vecht, puur voor de sier militaire motieven te zijn opgenomen. De hagen langs de rijweg waren geschoren in de vorm van de vroegere weerbare kasteelmuur, compleet met bastions.

Zeer vermakelijk is de bijdrage van Wim Meulenkamp over de tuingebouwen op de Utrechtse buitens. Niet alleen in Engeland, maar ook in Nederland blijken er sinds het midden van de achttiende eeuw "follies' met tientallen te zijn gebouwd: in de vorm van een Turkse tent of een kluizenaarshut, soms zelfs compleet met een op de loonlijst vermelde, levende heremiet. De tuin was een kweekvijver voor architectonische experimenten, schrijft Meulenkamp, maar van het luchtige soort.

Van de fraai aangelegde lusthoven zijn er, vooral in deze eeuw, veel verloren gegaan. Sinds de jaren zestig werden tal van landhuizen kantoor en bijgevolg veranderde menig sterrebos in een parkeerplaats. Een van de belangrijkste Nederlandse tuinen, weliswaar verwilderd en deels weer landbouwgrond geworden, is die van het in 1987 afgebrande en sindsdien jammerlijk verwaarloosde kasteel Heemstede te Houten. De voorbeeldige zeventiende-eeuwse aanleg is nooit vergraven tot een landschapstuin, en is daarmee een van de laatst bestaande in Europa. Hoewel de A-27 tegenwoordig het oostelijke deel doorsnijdt, is vrijwel de gehele opzet nog aanwezig, evenals tal van bijgebouwen of fundamenten. Volgens een woordvoerder van de gemeente heeft de huidige eigenaar plannen om op korte termijn niet alleen het kasteel zo getrouw mogelijk - zij het met moderne middelen - te herstellen, maar tevens de tuinen vlak rond het kasteel weer in oude staat terug te brengen.

    • Kitty Kilian