Techniek voor meisjes; Een pen is geen schroevedraaier

In 65 Nederlandse steden draaien techniekclubs voor meisjes van tien tot twaalf. De meisjes amuseren zich prima, maar het is de vraag of de interesse beklijft.

Op de tafel voor Renske (10) liggen kniptangen, rondbektangen en ijzerdraad. Achter haar, op de werkbank, staan drie soldeerbouten klaar. Renske heeft er geen belangstelling voor. Terwijl ze het laatste spekje uit een zak met snoepgoed in haar mond stopt, buigt ze zich giechelend over de tekening van Mirjam (ook 10): ""Wat maak jij, moet dat een eend voorstellen?'' Op haar eigen tekening zijn de bloemen ondanks de instructies van Alie, een van de twee leidsters, te klein om met ijzerdraad over te trekken. ""Dat wordt veel solderen'', zegt die. Verbaasd kijkt Renske op. ""Wat is dat, solderen?''

In een buurthuis in de Rotterdamse nieuwbouwwijk Oosterflank nemen Renske en Mirjam deel aan Technika 10, een techniekclub voor meisjes van tien tot twaalf. Drie van de vier meisjes in het buurthuis (een aantal dat door mond-tot-mond-reclame de komende weken nog moet groeien) zijn Nederlands, één komt uit Zuid-Oost-Azië. Omdat de in totaal 15 Rotterdamse clubs niet openstaan voor jongens en zonder uitzondering door vrouwen worden geleid, komen er veel allochtone meisjes op af. Maar Nederlands of niet, allemaal weten ze weinig van techniek af. Leidsters als Alie en Truus vertellen dat een schroef een schroef heet en geen draaispijker, en dat je een schroevedraaier anders vasthoudt dan een pen.

In zes jaar tijd zijn onder de naam Technika 10 in heel Nederland techniekclubs voor meisjes een vertrouwd verschijnsel geworden. Terwijl vergelijkbare initiatieven als de Ontdekhoek of de Jonge Onderzoekers zich beperken tot hooguit een tiental lokaties, schieten de techniekclubs voor meisjes als paddestoelen uit de grond. Volgens de laatste telling draaien nu in 65 steden zo'n 250 clubs van ongeveer twaalf meisjes. Op het steunpunt in Utrecht werken vier vrouwen, landelijk zijn 24 trainsters, zo'n 70 coördinatoren en ongeveer 800 leidsters aangesteld. Het landelijk steunpunt verschaft materiaal en werkboeken en ontwikkelt trainingen. Wanneer alle lokale subsidies bij elkaar worden opgeteld, heeft Technika 10 dit jaar een begroting van ongeveer twee miljoen gulden.

Coördinator Mieneke Hylkema van het Utrechtse steunpunt heeft een simpele verklaring voor het succes: ""Technika 10 was een gat in de markt.'' Clubs waar meisjes leren werken met elektronica, hout, metaal, kunststof of mechanica (je eigen fiets repareren) waren er voor de komst van de techniekclubs niet. Toch zijn meisjes van tien tot twaalf, nog net niet in de puberteit, wel degelijk in techniek geïnteresseerd. ""Alleen moeten ze dan onder elkaar zijn. Als een meisje op een club zit met verder alleen maar jongens, gaan er andere factoren meespelen.'' De (weinige) mannen bij Technika 10 werken achter de schermen als bestuurslid.

Op de clubs wordt de meisjes zo weinig mogelijk het idee gegeven met jongensachtige dingen bezig te zijn. Zes jaar geleden volgde Hylkema het advies van haar toen tienjarige dochter op om in de werkboeken "echte meisjes' en geen "halve jongens' af te beelden. Onlangs bleek uit een klein onderzoek naar nieuwe illustraties dat zij de spijker op de kop had geslagen. ""Deze is niet leuk, het lijkt net een jongen die aan zijn spieren voelt, is dit een meisje?'', stond bij de tekening van een stoere, spierenrollende meid. Een rechtstreeks uit het meisjesblad Tina overgenomen illustratie werd bijzonder gewaardeerd: ""Haar haar en haar kleding is leuk, de omgeving is leuk. Ze ziet er mooi uit, zij is echt het mooist.''

Het idee om techniekclubs voor meisjes te beginnen dateert van 1984, toen een delegatie van drie Nederlandse vrouwen in Athene een internationaal symposium over vrouwen en niet-traditioneel werk bezocht. Vergeleken met andere landen bleek Nederland sterk achter te lopen: in technische beroepen was in ons land niet meer dan vier procent vrouw, met Ierland het laagste percentage van Europa. De drie, afgevaardigden van Man Vrouw Maatschappij, de Nederlandse Federatie Jeugd- en Jongerenwerk en de Young Women's Christian Association, besloten dat daar iets aan moest worden gedaan.

Geldschieters

Achteraf, met achter haar rug op een kaart van Nederland 65 punaises voor evenveel Technika 10-lokaties, kan Hylkema er haar schouders over ophalen, maar indertijd was ze ""echt een beetje ontsteld''. Het plan kreeg overal een enthousiast onthaal, maar bleek moeilijk voor subsidie in aanmerking te komen: ""Bij Sociale Zaken kregen we te horen dat ze geld voor vrouwen uittrokken, niet voor meisjes. Ga maar naar WVC, zeiden ze. Daar vonden ze het typisch iets voor Onderwijs. En bij Onderwijs zeiden ze dat het om vrije tijdsbesteding en niet om onderwijs ging.''

Sinds 1988 wordt het landelijk steunpunt door de drie ministeries samen gesubsidieerd. De lokale clubs moeten zelf aan subsidie zien te komen. Geldschieters variëren van gemeente en provincie tot arbeidsbureaus, fondsen en bedrijven. In de meeste gevallen moet de subsidie elk jaar opnieuw worden bevochten. In Rotterdam, een van de rijkere lokaties, komt 60.000 gulden subsidie van het arbeidsbureau, 40.000 van de gemeente en 25.000 van het Stedelijk Bureau Ander Werk. Hiervan wordt materiaal aangeschaft, krijgen de plaatselijke coördinatoren een salaris en de leidsters een onkostenvergoeding en wordt huur betaald. De meeste clubs draaien in buurthuizen, basisscholen of technische scholen.

De Rotterdamse techniekclubs werken in blokken van zes weken, waarin verschillende thema's worden behandeld: bij metaalbewerking meten, een "werktekening' (de eend en de bloem) lezen, draden en platen knippen, hoeken zetten, moeren en bouten gebruiken en solderen. Andere clubs zijn een jaar lang met hout bezig, of organiseren niet meer dan een stuk of tien bijeenkomsten. De leidsters, onder wie minder hoog opgeleiden dan in de beginjaren van Technika 10, krijgen op de trainingen te horen dat jongens graag rookontwikkeling zien, maar dat meisjes liever iets maken ""waar ze wat aan hebben''. Een figuur van ijzerdraad om aan het plafond te hangen bijvoorbeeld.

In de zes jaar dat Technika 10 nu in Rotterdam draait, is er veel veranderd. Buurthuizen bellen zelf om te vragen of ze een club mogen beginnen. Vaak hebben ze dan al meisjes en leidsters geworven. Eerder dit jaar kregen de techniekclubs een eervolle vermelding van de Rotterdamse Emancipatieprijs. In de eigen werkplaats is in september de "Technika 10 plus' club begonnen, voor meisjes die ook na hun twaalfde nog door wilden gaan.

Uiteindelijk moet Technika 10 er voor zorgen dat meer vrouwen een technisch beroep kiezen. Of dat lukt, is moeilijk na te gaan. Volgens Mieneke Hylkema ""kun je je afvragen of bijvoorbeeld een keuze voor de LTS wel zo'n goed criterium is. Veel ouders sturen daar zelfs hun zoon liever niet naar toe.'' In ieder geval krijgen de leidsters tijdens trainingen op het hart gedrukt dat de meisjes techniek vooral leuk moeten vinden. ""Als je zegt dat het goed voor ze is, lopen ze gillend weg.''

Wanneer in het buurthuis in de Oosterflank de soldeerbouten aanstaan en Alie waarschuwt dat ze nu niet meer mogen snoepen (""Dan spat er misschien soldeer op''), wordt het doodstil. ""Het is gelukt'', fluistert Renske als er een bloem op de steel staat.