Ridders ontspoord

Ivanhood. Regie: Paul Ruven. Met Christo van Waveren, Maike Meijer, Odette van der Molen en nog negen eindexamenleerlingen van de Maastrichtse Toneelschool. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

Ivanhood heet de film van Paul Ruven die deze week in première gaat en alleen al die titel ontneemt direct iedereen het recht om Ruven nog "wonderkind' te noemen. Die aanduiding kleeft hem aan sinds hij publiek en kritiek verraste met zijn eindexamenmusical De tranen van Maria Machita. Maar Ruven is allang geen kind meer. Om een titel als "Ivanhood' te bedenken, moet je immers ruimschoots de dertig zijn gepasseerd: is de naam "Robin Hood' ook voor iemand onder de twintig van betekenis, voor een combinatie met "Ivanhoe' moet je bewust televisie gekeken hebben in de jaren zestig. Niet alleen naar die door Roger Moore gespeelde ridder, maar ook naar de Nederlandse pendant Floris, terwijl je wellicht gehuld was in een plastic borstkurasje en gewapend met een plastic zwaard.

Ook als filmmaker kun je Ruven geen kind meer noemen. Vast co-scenarist en -regisseur van Pim de la Parra is hij al jaren en op Maria Machita volgden inmddels, afgezien van het genoemde Ivanhood, een thriller en een speelfilm die nog moet worden uitgebracht. Juist omdat Ruven niet meer een kind mag worden genoemd, is Ivanhood onder de maat. De vorm van de televisieridderserie bestudeerde hij te weinig om hem krachtig te kunnen oproepen en meeslepend te persifleren. Had hij maar een keer naar het satirische VPRO-programma Jiskefet gekeken dan had hij geweten hoe dat wel moet: de vaste openingsscène van dat programma duurt nog geen minuut maar suggereert alles waar Ruven naar streefde. Alleen al hoe de "ridders' daar te paard zitten, hoe ze door de camera worden gevolgd roept werelden op.

Ruvens opdracht voor deze film was een verhaal te schrijven voor tien actrcies en een acteur - allen leerlingen in het laatste jaar van de Toneelacademie van Maastricht. Een verhaal voor zoveel vrouwen viel hem blijkbaar te zwaar, dus koos hij voor een gemakkelijker weg. Hij bedacht toch een mannenverhaal, een vaak onbegrijpelijke, kluchtig bedoelde satire op de televisieridder-romantiek, met een grote rol voor die ene acteur in spe over wie hij moest beschikken. Hij voorzag zijn actrices van valse baarden en o ja, ze spelen wel vrouwen, maar vrouwen met baarden dan hè, en van die baarden kunnen ze alleen verlost worden door een man. Het is de ingreep van de branie, uitgevoerd zonder veel nadenken over effect of consequenties voor verhaal en stijl en een crime voor de onervaren actrices met wie hij werkte.

Ongeveer hetzelfde kan worden opgemerkt over de dialogen. Ruven deed een halfzachte poging tot persiflage van het middelnederlandse ridderverhaal, met dol bedoelde anachronismen en veel dubbelzinnigheden van platvloerse dan wel seksuele aard. Een middelbare schoolklas zal dubbel liggen, al was het maar omdat de leraar Nederlands zo stout wordt geschoffeerd. Maar wie geen eigen kind heeft dat meespeelt in dit toneelstuk, heeft tijd en aandacht om op te merken hoe veel moeite het de acteur en de meeste actrices kost om tong en keel te plooien naar die moeizame, onleuke zinnen.

Gaat het om een voorstelling in de aula van een school, dan klap je desondanks je handen stuk. Is het een film van een volwassen cineast, dan vraag je je af waarom vertoning ervan in hemelsnaam niet voorbehouden werd aan ouders, familie, vriendinnen en vrienden van de betrokkenen.

    • Joyce Roodnat