Rampen en politiek in Nederland

Georganiseerde nationale rouw kennen we niet echt in Nederland. De eerste en tevens laatste keer na de oorlog dat "van bovenaf' een dag van nationale rouw werd afgekondigd, was eind november 1962 na het overlijden van prinses Wilhelmina. Het betekende dat op verzoek van de regering de dag na het overlijden en op de dag van de begrafenis de vlaggen halfstok werden gehangen en radio en televisie een aangepast programma uitzonden. Daarna is rouwbetoon overgelaten aan burgers en organisaties zelf. De zelfredzaamheid is op dit punt ver gevorderd.

Regels bestaan niet, het gevoel - een subjectief begrip - bepaalt de gang van zaken, zoals de afgelopen dagen hebben laten zien. Een spelshow niet, een talkshow wel. Wel schreeuwerige Sterreclame, echter geen reclames voor luchtvaartmaatschappijen. Wel een avondje lachen bij de cabaretier, maar de naam, van zijn programma ("de klap van half zeven') wordt niet meer vermeld.

De grens tussen ranzigheid en piëteit dreigt al snel te vervagen. Calamiteiten vereisen vooral van mensen in een openbaar ambt uiterste tact. Medeleven wordt verwacht, maar al te veel kan al gauw als vals worden uitgelegd. Voor politici is het ten tijde van "nationale verslagenheid' balanceren op een uiterst dun koord.

Het begint al bij de vraag òf er sprake is van een ramp. De watersnood in 1953 was een ramp. De treinramp bij Harmelen waarbij 92 mensen om het leven kwamen paste ook in die categorie. Maar toen in april van dit jaar in Limburg de aarde trilde, was dat toen een ramp? Bij gebrek aan slachtoffers werd de aardschok in eerste instantie zelfs wat lacherig afgedaan.

In de landelijke politiek was het een zaak voor de regionale Kamerleden, en de verantwoordelijke bewindspersoon, minister Dales van binnenlandse zaken, achtte het niet opportuun naar Limburg af te reizen. Ze kon daar toch niet veel uitrichten, was haar verweer.

Rationeel gezien had zij volkomen gelijk, maar bij dit soort gebeurtenissen telt nu juist de ratio niet. De verontwaardiging in Limburg over het wegblijven was groot. “Van het kabinet heeft niemand zich in het rampgebied laten zien. In verkiezingstijd is dat doorgaans wel anders. Dan worden we hier bijna onder de voet gelopen door met elkaar concurrerende bewindslieden. De minister van binnenlandse zaken, mevrouw Dales voelde ook niet de behoefte om een bezoek aan het getroffen gebied te brengen. Je kunt veel over mevrouw Dales beweren, maar op enig empathisch vermogen hebben we haar nog niet kunnen betrappen”, aldus een redactioneel commentaar in het Limburgs Dagblad.

Een week later vertrok Dales alsnog richting Limburg. Ze had heel wat uit te leggen.

Bij het vliegtuigongeluk in de Bijlmer was al snel duidelijk dat het hier een echte ramp betrof. Direct de volgende dag waren koningin Beatrix, minister-president Lubbers en de twee eerst verantwoordelijke ministers, Dales (binnenlandse zaken) en Maij Weggen (verkeer en waterstaat) ter plaatse. Zoals het hoort.

Na de treinramp in Harmelen in 1962 kwam de toenmalige koningin Juliana ook speciaal over van haar vakantieadres in Italie om de ravage te bekijken. Bij dramatische gebeurtenissen waarbij veel slachtoffers zijn gevallen is fysieke aanwezigheid van de regeerders op de plek zelf vereist, hoewel dit bij sommigen - zie de ingezonden brievenrubriek van de Volkskrant van vandaag - ook al weer het verwijt van hypocrisie kan oproepen.

Wat kan de rest van de politiek nog doen behalve in een plenaire zitting deelneming betuigen? Het schijnt tot het prerogatief van de oppositie te behoren om bij dit soort gebeurtenissen onverwijld een grondig onderzoek van de regering te eisen.

Dat gebeurde zondagavond dan ook prompt bij monde van de verkeers-woordvoerder van de VVD. De functie van een dergelijk bizar verzoek is niet anders dan te bewijzen dat de Kamer alert is, want zo'n onderzoek behoort vanzelfsprekend tot de standaardprocedures. Zoals ook het op een dergelijk onderzoek volgende Kamerdebat "standaard' is.

De Tweede Kamer nam afgelopen maandag het verrassende besluit om wegens de vliegramp in de Bijlmermeer niet te vergaderen en de algemene politieke beschouwingen die dinsdag zouden beginnen een week uit te stellen. Groen Links fractievoorzitter Beckers verklaarde bewogen voor de televisie dat de Tweede Kamer toch niet “als de mensen de doden uit de gebouwen en de puinhopen halen maar gewoon kan overgaan tot de orde van de dag ook al zijn er dan algemene beschouwingen”.

Maar waarom eigenlijk niet? Het klinkt heel betrokken, en het zal ongetwijfeld ook nog gemeend zijn, maar waarom schort een parlement uit piëteitsoverwegingen zijn werkzaamheden voor een volle week op. Als het nu een feestelijke opening van het vergaderjaar betrof, zou er alles voor te zeggen zijn, maar Algemene Beschouwingen zijn toch niets anders dan een zakelijk politiek debat?

Onmiddellijk na de herdenking van de slachtoffers in de Tweede Kamer een "full-fledge' debat beginnen over het regeringsbeleid is niet kies, maar dan had het uitstel tot enkele uren of een dag beperkt kunnen worden. Dat was ook de keuze die de Eerste Kamer maakte.

Al dan niet vergaderen, het lijkt het een kleinigheid, maar het heeft te maken met de Nederlandse politieke cultuur. Een cultuur die beheerst wordt door angst. Liever de dingen niet zeggen, nog niet zeggen of niet zo hard zeggen. Veel politici in Nederland zijn bang voor de confrontatie. Toen Prins Bernhard in 1976 als gevolg van de Lockheed-affaire in opspraak raakte, koos de Kamer voor een "kort en sober' debat. Bij nationale beroering mag het volk niet te lang gegeseld worden. Zaken worden dan plotseling "buiten de orde verklaard'. Zo vinden nationale politici het nu niet het moment om uitspraken te doen over de veiligheidsrisico's van het zich sterk uitbreidende Schiphol. Vreemd, want tegelijkertijd is dit wel de legitieme vraag waar tienduizenden bewoners wonend onder een aanvliegroute van Schiphol sinds zondagavond mee zitten.

Politici moeten zich bij het innemen van een standpunt niet laten leiden door emoties, maar dat is wat anders dan niets zeggen.

Het is bovendien een gelegenheidsargument. Want toen in 1986 de kerncentrale in Tjernobyl ontplofte en een gigantische kernramp dreigde, was dat voor de Nederlandse politici wel degelijk het moment om over Dodewaard te beginnen. En wie herinnert zich minister Maij Weggen niet die twee jaar geleden in een stormnacht bovenop een kapotgeslagen dijk verklaarde dat er nu onmiddellijk derig miljoen gulden extra voor dijkverzwaring diende te worden uitgetrokken?

Maar als het gaat om een moeilijke boodschap, wordt liever gekozen voor zwijgen dan voor de rechte rug. Uit angst voor het verwijt gevoelloos te zijn, is de Kamer begin deze week de weg van de minste weerstand ingeslagen.

Niet vergaderen maakt het leed voor de betrokkenen niet minder erg, maar voorkomt ongetwijfeld veel problemen in de publieke opinie.

    • Mark Kranenburg