PAUL ACKET 1922 - 1992; Rots in de branding

Paul Acket, die maandagavond op 69-jarige leeftijd overleed en gisteren in besloten kring is begraven, was deze zomer al zo ziek dat hij niet meer zelf aanwezig kon zijn bij het zestiende North Sea Jazz Festival. Maar op zijn ziekbed leefde hij nog intens mee met het evenement, dat nu grotendeels door zijn naasten was georganiseerd, en hij instrueerde de medewerkers van zijn bedrijf dat ook het derde Jazz Mecca in Maastricht, eind deze maand, gewoon door moest gaan - wat er in de tussentijd ook met hemzelf zou gebeuren. Hij stierf in de wetenschap dat zijn geesteskinderen in veilige handen waren.

Als negentienjarige lyceumleerling in Hilversum wierp Acket zich in 1941 al op als promotor van de muziek die hem het meest dierbaar was. Hij organiseerde zijn eerste concerten (met de Swing Papa's en het orkest van Boy Edgar) in Gooiland, tot dat door de bezetting niet langer mogelijk was. Na de oorlog nam hij een kantoorbaantje aan, maar bleef concerten organiseren en schreef stukjes over jazz en swing in het populaire blad Tuney Tunes. Toen de uitgever van dat blad hem vroeg als redacteur in vaste dienst te komen, stelde Acket als voorwaarde dat hij dan ook een gespecialiseerd jazz-blad mocht oprichten. Dat werd Rhythme. Na een reeks conflicten over de redactionele koers stapte hij in 1955 op en zette, met het geld dat hij als manager van de Dutch Swing College Band had verdiend, een eigen blad op voor populaire muziek.

Muziek Expres begon als onaanzienlijk krantje met nieutjes over de Ramblers, de Skymasters en andere radio-orkesten uit die tijd. Het blad werd pas een succes toen Acket zich op de ontluikende tienermarkt ging richten en, als eerste, glansfoto's begon af te drukken van idolen als Elvis Presley en Cliff Richard. Begin 1966 was hij als marktleider in staat om Tuney Tunes van zijn ex-werkgever op te kopen. Ook met zijn impresariaat, dat tot dan toe alle nieuwe Amerikaanse jazz-stromingen naar Nederland had gebracht, verlegde hij de koers naar de popmuziek. Wie hem beschuldigde van verraad aan zijn favoriete genre, kreeg te horen dat hij die tienermuziek “best leuk” vond - en dat met jazz-concerten nu eenmaal geen droog brood meer te verdienen was.

Maar toen hij in 1975 zijn uitgeverij voor een miljoenenbedrag aan de VNU wist te verkopen, stelde die opbrengst hem in staat - op een leeftijd dat anderen aan hun pensioen gaan denken - een monument voor de muziek van zijn eigen generatie op te richten. Het eerste North Sea Jazz Festival werd gehouden in 1976, met 9000 bezoekers in vijf zalen van het Haags Congresgebouw. Vanaf het begin was hij, als geen ander, in staat op voet van gelijkheid te onderhandelen met de Amerikaanse agents. Hoewel zijn vrouw en zijn dochters geestdriftig in de zaak-aan-huis meewerkten, sprak hij vaak zorgelijk over een tijd dat hij er niet meer zou zijn: wie moest dan die hondsmoeilijke onderhandelingen voeren?

Met zijn onafscheidelijke sigarettepijpje en dat onverzettelijke hoofd - sinds een spieraandoening scheef op de schouders - was Paul Acket jaar in jaar uit de rots in de branding. Ruimhartig gaf hij gehoor aan diverse verzoeken om naast de gevestigde namen ook de avant-garde en mengvormen van jazz, rock en rhythm & blues een podium te geven. Nooit was hij te betrappen op het uitspreken van persoonlijke voorkeuren binnen dat brede spectrum. “Goeie muziek is goeie muziek,” sprak hij diplomatiek. Hij groeide uit tot een alleenheerser, die drie jaar geleden ook een festival in Maastricht begon en er sindsdien bovendien in slaagde het concurrerende Drum-festival in Amsterdam over te nemen. Dat de jazz in Nederland de laatste jaren via zulke festivals weer een breed publiek trekt, is voor een belangrijk deel aan Paul Acket te danken.

Zijn medewerkers hebben aangekondigd over enkele weken nadere mededelingen te zullen doen over “de voortzetting” van de drie festivals. Dat klinkt vertrouwenwekkend; doorgaan is de beste manier om Acket te gedenken.

    • Henk van Gelder