Paard heeft geen respect voor makkelijk parcours

Bij het woord 'military' denkt menig Nederlander aan groot gevaar voor paard en ruiter. Het paard moet over enorme dikke bomen springen die muurvast aan elkaar zijn geklonken en dat stuit menig kijker tegen de borst. Lagen die hindernissen maar los, zoals bij een gewoon springparcours. Dan zou de military heel wat minder gevaar opleveren.

BOEKELO, 8 OKT. Eugène Gabriëls, de 67-jarige parcoursbouwer van de 22ste military van Boekelo, wil eens en voor altijd afrekenen met het misverstand dat losse hindernissen veiliger zouden zijn. “Bij een cross en de steeple moeten de paarden gemiddeld 570 tot 690 meter per minuut galopperen en dat is heel wat anders dan de 350 of 400 meter bij een springparcours.”

“De hindernissen moeten vastzitten, omdat de cross en de steeple snelheidswedstrijden zijn. Als een paard met hoge snelheid een boomstam aantikt die losligt dan vliegt zo'n boom omhoog en naar voren. U moet zich eens voorstellen wat er dan kan gebeuren. Bij een volgende galopsprong kan het paard dan over de boom struikelen of er met zijn borst inlopen met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. Nee, het zou levensgevaarlijk zijn om de hindernissen bij een military los te maken. Vaste hindernissen zijn veel veiliger.”

Gegeven het imago van de military doen de organisatoren van "Boekelo', dat vandaag haar eerste dag had, er alles aan om ongelukken te voorkomen. Veiligheid krijgt hoogste prioriteit. Maar er is niet alleen druk van de publieke opinie, er is ook druk van de hippische wereld om de military van Boekelo niet te laten afzakken naar een te gemakkelijk niveau. Zo kreeg parcoursbouwer Gabriëls vorig jaar zowel voor als na de wedstrijd te horen dat het parcours niet zwaar genoeg was. En inderdaad reed meer dan 60 percent van de 84 deelnemers een foutloze cross en legden 25 percent van de paarden het parcours af binnen de optimale tijd. Slechts één deelnemer werd tijdens de cross gediskwalificeerd, wegens drie weigeringen.

Gabriëls zegt dit probleem op te lossen door in feite twee crossen door elkaar heen te bouwen. De kortste weg is een cross voor ervaren ruiters en ervaren paarden die de ambitie hebben om Boekelo te winnen, de alternatieve weg is een cross voor de minder ervaren ruiters en paarden die willen "rondkomen'.

De kortste weg is dit jaar moeilijker dan vorig jaar. Gabriëls: “De ruiter zal zijn paard zeer goed in de hand moeten hebben en precies moeten rijden om de directe routes te kunnen nemen. In de toekomst zullen er steeds meer technische crossen worden gebouwd. Daar ben ik van overtuigd. Het bewijs is Barcelona. Er waren daar diverse zeer zware hindernissen gebouwd voor degenen die de kortste routes wilden nemen.”

“Het was de beste wedstrijd die ik ooit van mijn leven heb gezien. Het is niet voor iedereen mogelijk dat te organiseren, want zoiets brengt natuurlijk gigantische kosten met zich mee. Ik heb dit jaar hier in Boekelo geprobeerd een technische cross te bouwen. Ik denk dat er dit jaar ook minder ruiters binnen de tijd zullen blijven dan vorig jaar. Tien, vijftien percent misschien.”

De waterhindernis is een goed voorbeeld van Gabriëls' filosofie. De snellere routes zijn technisch moeilijker dan het langzamere alternatief. De makkelijkste weg is een afsprong van het botenhuis (1.60 meter) in het water met na een paar galoppassen een laag bruggetje waar het paard overheen moet. “Verleden jaar”, zegt Gabriëls, “waren de heren van de groundjury (die elke internationale wedstrijd controleren op veiligheid, red) bang dat de paarden het botenhuis in één keer zouden springen. Daarom hebben we het botenhuis een meter verlengd. Deze route ligt goed in de lijn, maar de ruiter moet zijn paard voor de afsprong heel sterk terugnemen. De weg door het midden is sneller. Dan is er nog de langere route waar de paarden in het water kunnen galopperen en ze er niet via een hindernis hoeven in te springen, een opsprong uit het water met direct daarachter een stijlsprong en op vier galopsprongen een dichte oxer.”

De 'Trakehner' aan het einde van de cross is volgens Gabriëls bepalend voor de uitslag. De hindernis bestaat uit drie elementen. Een dikke boom die over een sloot is gebouwd met in het verlengde twee dikke bomen die met elkaar een punt vormen die haaks op de sloot staat. Na de punt is er weer een dikke boom over de sloot. Ruiter en paard kunnen over het eerste element springen, draaien en dan weer terug over het derde element. Ze kunnen ook over de punt springen, dat scheelt niet alleen honderd meter, er kan bovendien sneller worden gereden. Gabriëls: “Maar je moet dan wel zeker zijn van je paard. Hij moet dan heel erg goed in de hand staan, want de punt moet heel precies worden gesprongen.”

Een parcoursbouwer moet volgens Gabriëls tenminste drie valkuilen zien te vermijden. De hindernissen moeten volgens hem met zware materialen worden gebouwd. Een paard heeft, zegt hij, meer respect voor een dikke boomstam dan voor een dunne paal. De schors moet er wel af, want het paard kan zich aan de schors bezeren. Hindernissen moeten daarom altijd glad zijn afgewerkt, geen scherpe randen en beslist geen spijkers en nagels.

Het is volgens Gabriëls gevaarlijk om in een military te gemakkelijke hindernissen neer te zetten. Paard en ruiter die het zware werk gewend zijn hebben daar dan geen respect meer voor en gaan slorigheidsfoutjes maken. Maar minstens zo belangrijk als een goede hindernis is de conditie van het terrein. De bodem moet veerkrachtig zijn maar niet te diep. “Daar hebben wij hier in Boekelo jarenlang de grootste problemen mee gehad. En het heeft een vermogen gekost om het parcours met drainage en grondverbetering in goede staat te krijgen. En je moet er natuurlijk voor zorgen dat de afzet en de landing bij de hindernissen in perfecte staat zijn.”

Het is volgens Gabriëls met name belangrijk dat de laatste drie galopsprongen voor en na de hindernis er “perfect bijliggen”. Het grootste probleem van Boekelo zijn de zwakke wanden van de beek. En de paarden moeten zes keer over die beek heen. Gabriëls: “Als een paard in de modder wegzakt dan vindt hij zijn afzet niet. Veronderstel dat het een oxer is met een maximale hoogte van 1.20 meter en een maximale breedte van 2.75 beneden en 1.80 boven dan ligt hij er straks middenin. Daarom hebben we bij elke plek twee mensen staan met een hark en met zoden om de afzet en de landing zo goed mogelijk te krijgen.”

    • Leon de Wolff